Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Boeken

Slim meeliften als co-auteur helpt status van topwetenschappers

Meeliften op het succes van anderen. Topwetenschappers doen het regelmatig en hebben hun erkenning er mede aan te danken. Ze staan als co-auteur bij artikelen genoemd hoewel hun bijdrage lang niet altijd even groot is. Dat blijkt uit onderzoek van Ahmad Aziz, neuroloog in opleiding aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), en Maarten Rozing, psychiater in opleiding bij GGZ inGeest in Amsterdam. Ze vergeleken de publicatielijst van vijftien topwetenschappers van het LUMC met die van twaalf winnaars van de Spinozaprijs (de Nederlandse ‘Nobelprijs’) en 27 Nobelprijswinnaars voor Fysiologie of voor Geneeskunde (PLOS ONE, 3 april).

Van de drie groepen vergeleken Aziz en Rozing eerst de zogeheten H-index, die de afgelopen jaren een steeds belangrijkere rol is gaan spelen bij het verstrekken van onderzoekssubsidies en het benoemen van hoogleraren. Als iemand een H-index van 50 heeft wil dat zeggen dat van alle artikelen die diegene geschreven heeft er ten minste 50 zijn die 50 keer of vaker zijn geciteerd door anderen. Voor de H-index tellen alle auteurs bij een publicatie even zwaar, hoewel de eerste en laatste auteur meestal het meeste werk hebben verricht. Er is een trend dat bij een artikel steeds meer auteurs staan, soms meer dan honderd.

De (geanonimiseerde) topwetenschappers van het LUMC bleken gemiddeld een hogere H-index te hebben dan de winnaars van de Spinozaprijs en de Nobelprijs, respectievelijk 71, 55 en 68. Maar dat veranderde nadat Aziz en Rozing corrigeerden voor het aantal auteurs bij een artikel (hoe meer auteurs, hoe lager de score) en voor de plek van een wetenschapper in de rij auteurs (hoe meer naar het midden, hoe lager de score). Ze berekenden ook de zogeheten profit-index, die aangeeft in hoeverre andere onderzoekers hebben bijgedragen aan de erkenning van iemand – aangegeven met een getal tussen de 0 en 1, en hoe hoger dat getal hoe sterker het meeliften.

Na correctie bleek de H-index van de vijftien LUMC-toppers gedaald van 71 naar 26. De Nobelprijswinnaars scoorden het hoogst met 36. De winnaars van de Spinozaprijs scoorden 27,5 na correctie. Wat betreft de profit-index scoorden de LUMC-wetenschappers het hoogst (0,80), en de Nobelprijswinnaars het laagst (0,60). Ook hier zaten de Spinozawinnaars ertussenin (0,73).

Aziz en Rozing wilden in eerste instantie alle Nederlandse universitaire medische centra en een aantal buitenlandse topcentra meenemen in hun onderzoek, maar hebben zich door geld- en tijdgebrek beperkt tot het LUMC. “Maar wat we voor Leiden hebben gevonden geldt waarschijnlijk ook voor andere centra”, zegt Aziz. Ze hopen dat de H-index wordt aangepast, zodat meeliftgedrag minder wordt beloond.

Marcel aan de Brugh