Opinie

    • Karel Knip

Kachelgedenken

Origineel majokacheltje uit 1944
Origineel majokacheltje uit 1944 Foto Frank Storbeck

Toeval? Of heeft Rupert Sheldrake toch gelijk en is morfische resonantie algemener dan je denken zou. Lees mee en huiver.

Op 2 april meldde zich de Harense lezer Erik Boot per e-mail vanuit de provincie Groningen. “Het aantal mensen dat tijdens de hongerwinter ’44-’45 met een majokacheltje gewerkt heeft en dat zelf ook fabriceerde sterft langzamerhand uit. Het is dan ook belangrijk dat de herinnering daaraan op de juiste wijze vastgelegd wordt. Volgens mijn informatie is dat nog niet het geval”.

En vervolgens: “De meeste informatie betreft de naamgeving en het gebruik, maar betreffende de constructie vind ik op het internet maar één tekening – die een verkeerd beeld geeft. In de bijlage heb ik twee modellen getekend die in gebruik waren met ter vergelijking het plaatje van het internet.” Dat plaatje, voor alle duidelijkheid, geeft dus het verkeerde beeld.

Het uitvoerige Harense schrijven en zijn bijlagen kunnen hier niet in detail gereproduceerd worden. Het kacheltje waar het om gaat staat ook bekend als wonderkacheltje of noodkacheltje. Het is in de koude winter 1944-1945 in gebruik genomen om, ondanks het gemis van alle reguliere brandstof, toch te kunnen koken. Nederland zuchtte in die jaren onder de Duitse laars en grote delen van het land moesten het door de spoorwegstaking en bijkomende beperkingen zonder steenkool en petroleum stellen. De gemeentelijke gasbedrijven konden geen stadsgas maken. Wat overbleef was hout: van bomen en bielzen, vloerdelen, tuinmeubelen, lelijke kastjes, poppenwagens en pollepels. En karton en papier natuurlijk.

Het majokacheltje bood de gelegenheid om deze ratjetoe aan brandstoffen, mits voldoende verkleind, efficiënt en zonder rookoverlast te verbranden. Aangenomen wordt dat het geniale ontwerp komt van Johan Bubberman in Rotterdam. Ewoud Sanders heeft in zijn rubriek Woordhoek (mei 2003) kunnen achterhalen dat in de benaming majo de voornamen Marie en Johan, van Bubberman zelf en diens vrouw, zijn terug te vinden. Een dochter van Bubberman herinnerde zich in 2003 nog levendig hoe haar vader al experimenterend tot een optimaal ontwerp kwam. Zij meende ook dat het woord majo stilzwijgend verwees naar een eigenaardige combinatie van twee watervliegtuigen (een klein op een groot) die met Mayo werd aangeduid. De Mayo van major Mayo combineerde een Maia met een Mercury. Zie internet.

Het majokacheltje werkte uitsluitend in combinatie met een grote kachel, te weten een potkachel met een opening aan de bovenzijde. Die potkachel, die zelf niet brandde, leverde de trek en de afvoer van de rookgassen. Hij was immers aangesloten op een schoorsteen.

Het bijgaande schetsje, een bewerking van een van de bijlagen van Boot, laat zien hoe het ging. In essentie is de majokachel een pijp die aan boven en onderzijde open is en waarin een verbrandingsbakje is opgehangen. In dat bakje werden houtspaanders en gebroken twijgjes en dergelijke verstookt. De benodigde zuurstof werd via twee pijpjes van opzij aangevoerd. Bovenop het geheel kwam de pan met tulpenbollen te staan. Het bijzondere van het ontwerp zit hem in de afvoer van rookgas naar beneden en de isolatie van het verbrandingsbakje dat, omspoeld door heet verbrandingsgas, waarschijnlijk erg warm kon worden. Misschien dat dat het geheim was van de gerapporteerde verrassend goede werking. Mogelijk speelde ook de voorverwarming van de aangezogen lucht een rol.

Opvallend is dat er op internet nogal wat variaties op het thema majokachel zijn te vinden (onder de trefwoorden noodkacheltje, wonderkacheltje e.d.) Met wat geluk wilde ook een conservenblik binnen een koektrommel wel dienst doen. Je kon ze op elkaar klinken en in de gemeenschappelijke wand een gat maken. Zo durf je toch niet helemaal uit te sluiten dat het iemand anders was dan Bubberman die met het goede idee kwam en dat Bubberman het professioneel optimaliseerde. ’t Zou uit de verspreiding in die paar maanden tussen oktober 1944 en maart 1945 zijn af te leiden. Nergens op internet vindt men een afbeelding van een bewaard gebleven majokacheltje.

Het heeft geen zin na te denken over een verdere optimalisatie van de majokachel, zowel de Duitsers als de potkachels zijn verdwenen. Maar mochten ze ooit terugkomen dan zou je een kacheltje willen hebben dat ook de zijkanten van de pan verhit. Ook is het van belang dat de panbodem voldoende ‘zichtcontact’ houdt met de gloed van het vuur, de pijp moet niet te hoog worden. Een man als Fridtjof Nansen ging heel ver in het optimaliseren van dit soort ontwerpen, bekijk de vernuftige ‘Nansen stove’ of ‘Nansen cooker’. Van de hedendaagse kampeerbranche valt op dit gebied geen enkel initiatief te verwachten, daar gaat het alleen om geld.

Waar is dat toeval nu, vraagt de lezer met zijn sluimerende angst voor morfische resonantie. Dat komt hier. Op 21 april kwam het majokacheltje ter sprake tijdens een genoeglijk maar enigszins koud samenzijn in de Amsterdamse open lucht. De zon was al weg en het kwik in de thermometer zakte in een razende vaart. En opeens ging het over dat majokacheltje, ’t kwam misschien ook omdat het schrijven van Boot nog op zak was. De bijlagen kwamen tussen de lege glazen te liggen en toen zei een van de aanwezigen: ik heb zo’n kacheltje. Precies dát kacheltje. Al jaren.

De volgende dag stuurde hij deze foto op en Erik Boot bevestigt: het is een originele majokachel in professionele uitvoering. Diameter ongeveer 25 cm, zie de duimstok. Hij staat nu nog in Schoorl, maar Boot vindt dat-ie naar een oorlogsmuseum moet.