Een emotioneel geheim

Het instituut dat Willem-Alexander belichaamt, drijft op de volksgunst. Er is goede reden zuinig te zijn op dit symbool, vindt Marc Chavannes.

Wie pinkt er volgende week een traantje weg? Het zou mooi zijn als de dienst Kijk- en Luisteronderzoek tijdig 16 miljoen ontroeringsmeters kon plaatsen. Dan kunnen we nauwkeurig volgen hoeveel mensen dinsdag tijdens de plechtigheid in De Nieuwe Kerk aangedaan raken en waarom.

Het koningschap is een emotioneel geheim dat miljoenen Nederlanders met elkaar delen. Ook de onverschilligen. En zelfs de republikeinen.

Het koningschap heeft met de ratio niets te maken, toch? Hoe je het ook bekijkt, als dit land opnieuw werd ingericht, zouden we niet in de Grondwet zetten dat het staatshoofd wordt aangewezen op grond van erfelijke geschiktheid. De niet-gekozen vervulling van de hoogste functie in het land zou geen kans maken.

We delen via onze voorouders, en voor nieuwe Nederlanders door het aannemen van de nationaliteit, een geschiedenis die heeft geleid tot dit instituut dat met enige pracht en praal de eenheid van de natie symboliseert. Zou ook wie de praal en het majesteit-zeggen te ver gaat, bij volle verstand tot de afweging kunnen komen dat de monarchie toch moet blijven?

De simpelste weg tot aarzelende acceptatie van deze traditie is het alternatief te overwegen. Zelfs verstokte republikeinen verheugen zich niet op de verkiezing van een der beschikbare staatslieden. De polder wordt te vlak bij zo weinig magie.

Mary Robinson in Ierland en Vaira Vike-Freiberga in Letland waren zeldzame presidenten die het gewone wisten om te zetten in bovenpartijdige waarden en waardigheid. Koninginnen zonder kroon. Vaclav Havel wás het vrije Tsjechië. Italië wordt opnieuw gered door een wijze president. De Duitse naoorlogse rechtsstaat functioneert ook met zwakke presidenten, dankzij krachtige verankering van die democratie.

Hier ziet niemand een president als dé oplossing. Hoe zou het overigens komen dat de wisseling van de wacht in Huize Oranje niet leidt tot een opleving van verzet tegen een in wezen archaïsch instituut? De stemming in de Tweede Kamer is nu wat bedaard, maar een paar jaar geleden leek de schampere toon van Geert Wilders gemeengoed te worden.

De monarchie was velen te duur, zeker in tijden van crisis. Discussie over een villa in Mozambique, het gedoe van Margarita, het carrièrepad van Willem-Alexanders schoonpapa – het werd steeds lastiger het sprookje te verdedigen. Er ontstond al opwinding over de open deur van Máxima dat ‘de Nederlander’ niet bestaat. Velen hechten aan het koningschap als smetteloos symbool op zondag, zelf zien we wel wat we op maandag geloven.

Wijlen H.J. Schoo beschreef in zijn essay Hedendaags Republikanisme hoe het koningschap ingrijpend van publiek is veranderd. De aanhang bestond traditioneel uit „protestants-christelijken, zowel kleine als fijne luiden, liberale burgerdames en -heren en de orangistische stedelijke ‘volksklassen’. Sedert de jaren zestig verschoof, met de opkomst van de populaire monarchie, het zwaartepunt naar het veel amorfere, brede maatschappelijk midden: de ontzuilde, grotendeels ontkerkelijkte, redelijk geschoolde, economisch actieve, zich klasseloos wanende burgerij.”

Zoals de oud-hoofdredacteur van Elsevier schreef: de combinatie van ontzuiling, ontkerkelijking, scholing en welvaart heeft het land én de steun voor de monarchie veranderd. Een vlottend midden-Nederland, dat van Ed Nijpels leerde dat je gewoon jezelf mocht zijn, omhelsde zonder veel context of historisch besef het koninklijk bedrijf als uiting van traditie en continuïteit.

Het koningschap is onder de plichtsbewuste Beatrix verder losgezongen van de traditionele ankers God, Nederland en Oranje. Waar haar moeder op Soestdijk gewoonheid uitstraalde, heeft haar dochter een nieuw professioneel koningschap uitgevonden, ook al bleef de inhoud onbestemd. Modern midden-Nederland heeft bij vlagen behoefte aan symbolen van zingeving en gemeenschappelijkheid, net als vroeger bij godsdienst en om de twee jaar bij de nationale voetbalploeg. Oranje, Nederland en oranje (niet dat van ING).

Bij nationale rampen en als ‘werkbezoeken’ aangeduide ontmoetingen in de provincie kon koningin Beatrix de bewust heruitgevonden hermelijnigheid aanlengen met medemenselijkheid. Dat die warmte echt was, bleef soms verscholen achter haar rolopvatting waarin de waardigheid van het instituut voorop stond.

Maar ook het serieuze hof van Beatrix kon niet voorkomen dat het koningschap steeds meer drijft op de vleugels van de volksgunst. De koningin bleef zich ervan bewust dat steun van het volk onmisbaar is, anders wordt het hof een elitetruc. Maar die afhankelijkheid van populariteit via de media maakt het ambt ook kwetsbaar. Door daar sober mee om te gaan, won Beatrix gezag dat politici, met hun soms te korte blik op de volkswil vaak missen. Dat wekte soms jaloezie.

Met haar curieuze hard-werkenimago stond deze koningin ook qua kennis op den duur steeds meer boven ministers en partijen. Daarmee wakkerde zij ook het sluimerende verwijt aan dat zij wilde meebesturen, al waren de concrete voorbeelden daarvan schaars. Het is niet ondenkbaar dat de ondoordachte parlementaire duw uit het formatieproces, die de koningin vorig jaar moest incasseren, hier mede aan te danken is.

Ook deze toegewijde, staatkundig geleerde vorstin heeft niet kunnen voorkomen dat het instituut dat zij belichaamt in net zo’n sloep dobbert als de andere staatsinstellingen die een democratie onderscheiden van de gemiddelde voetbalclub. De rechterlijke macht, de Raad van State en het parlement zelf kunnen bij parlement en pers niet rekenen op veel begrip voor rol en functie, al zijn die in de Grondwet verankerd. Al die instellingen moeten zich zelf verdedigen in tijden van verwarring.

Het koningschap lijdt daar net zo onder, maar heeft erdoor ook aan prominentie gewonnen. Als de politiek zo grillig is, zoveel beweert en zo weinig waarmaakt – in de ogen van velen – dan is het maar goed dat we die koningin hebben, en straks die koning. Dat soort redenering. De beroepspolitiek misgunt de beroepskoningin overigens wel eens het gezag dat zij daaraan ontleent.

Vooral in momenten van onzekerheid zijn instituties in het staatsbestel nodig om vorm te blijven geven aan wat ons bindt: gedeelde waarden. Maar juist dan zijn die instituties kwetsbaar, want hun essentie staat ook velen die de instituties bemannen niet steeds helder voor ogen. Hoe groter de maatschappelijke wiebeligheid, hoe meer behoefte aan verbinding, rust, gezag, betrokkenheid. Dat eist veel van het staatshoofd.

Uitoefening van koninklijk gezag dat is ontstaan omdat andere instituties hun vanzelfsprekendheid zijn verloren, is riskant. Als koning Willem-Alexander een centimeter buiten de grenzen van zijn door de Kamermeerderheid van de dag bemeten tuintje spreekt, riskeert hij niet zo friendly fire. Zijn ruimte wordt per dag bemeten. Leve de toeschouwersmonarchie.

De dreigende rolverdwazing blijkt uit de roep uit de Tweede Kamer om de Eerste maar op te heffen. Instituut lastig? Weg ermee. De verwarring wordt ook geïllustreerd door de parlementariërs die dinsdag wel komen, maar de eed niet afleggen. Zij worden geacht dat te doen op grond van een wet die hun eigen Kamer drie jaar geleden voor het laatst heeft vastgesteld. Niet als teken van aanhankelijkheid aan die blonde man-van-de-dag, maar aan het instituut dat hij belichaamt, dat bestaat bij de gratie van het volk dat zij vertegenwoordigen.

Dat die Kamerleden de kriebels krijgen van ceremonieel, past in onze fietscultuur. Maar dat zij de wettelijke dienstregeling voor de inhuldiging aan hun laars lappen, is meer dan een beetje dom. De democratische rechtsstaat is een essentiële slaperdijk tegen machtsmisbruik. Daarin spelen instituties waaronder de koning en het parlement een rol. Die moeten zuinig zijn op de wet en op elkaar. O ja, beste koning, bedankt dat u ons symbool wilt zijn. Leve Onszelf!