Begraven met een verbrande plank en krammetjes

Archeologie

De giften in de Nederlandse vorstengraven staan bekend als armoedig. Niet waar, beweren drie archeologen in een nieuw boek. De graven zijn een uiting van een unieke mengcultuur.

Zicht op het grafveld Zevenbergen, op de voorgrond de langwerpige grafheuvel 6, daarachter onder meer heuvel 7.
Zicht op het grafveld Zevenbergen, op de voorgrond de langwerpige grafheuvel 6, daarachter onder meer heuvel 7. Foto Rien Zilvold

Met een sprintje klimt archeoloog Richard Jansen grafheuvel 2 op, anderhalve meter hoog, zestien meter breed. Dat is niet groot voor een grafheuvel. De gemeentearcheoloog van Oss wijst naar twee veel grotere exemplaren, nummers 3 en 7. Die zijn 30 en 36 meter breed. In totaal twaalf grote en kleine prehistorische grafheuvels liggen hier op een gebiedje van een paar honderd meter in het vierkant, ingeklemd in een oksel van verkeersplein Paalgraven, bij Oss.

Het is de rand van het Maashorstplateau, maar door de hoge rijkswegtaluds is het of we in een vallei staan. Toen de grafheuvels werden aangelegd, 3.500 tot 2.500 jaar geleden, had je hier een weids uitzicht. Nu razen boven ons vrachtwagens over de A50, achter ons dreunt de A59 in hetzelfde ritme.

In de twee grote heuvels zijn nooit veel grafgiften gevonden, in tegenstelling tot vergelijkbare Duitse heuvels waarin standaard wapens, paardenbeslag en drankemmers zijn aangetroffen. De Nederlandse staan daarom te boek als ‘armoedig’. Ten onrechte, zeggen nu de drie archeologen die op het veld staan. Naast Jansen, die ook aan de Universiteit Leiden werkt, zijn dat David Fontijn, hoofddocent archeologie in Leiden, en zijn promovenda Sasja van der Vaart. Die schijnbare karigheid in de heuvels is geen armoede, maar een gevolg van een grafritueel waarbij giften juist expres kapot en gedeeltelijk werden meegegeven. Deze opvatting verdedigen de drie in hun deze maand verschenen uitgebreide verslag van de opgraving van heuvel 7: Transformation through destruction is de veelbetekende titel. Door zijn grote gedetailleerdheid leest het boek als een detective. Wat is hier 2.700 jaar geleden gebeurd?

Palenrijen

Ondanks het verkeerslawaai hangt er op deze koude aprilochtend een serene sfeer over dit onlangs zorgvuldig gerestaureerde grafveld Zevenbergen. Er staan moderne palenrijen precies op de plaatsen waar de archeologen paalresten in de grond vonden. Sommige heuvels – waaronder de grote heuvel 3 – hebben een eigen ring van palen. Mede door de ‘heilige’ uitstraling, zijn er al verzoeken hier een strooiveld in te richten voor crematie-as. Maar Jansen wijst ook naar een andere historische continuïteit, midden op grafheuvel 2. “Hier hebben we resten van een middeleeuwse paal gevonden, waarschijnlijk een galg. Misschien een martelwiel.” Die paal is door de Monumentenwacht Nederland niet gereconstrueerd. Dit grafveld dient er nu uit te zien zoals in de vroege IJzertijd, zo’n 2.800 jaar geleden.

Jansen wijst nog even naar beneden: “In deze heuvel 2 hebben we bij de opgravingen in 2004 ook drie lichamen gevonden, uit de dertiende en veertiende eeuw. Bij een jonge man waren de handen nog op de rug gebonden.” Even zwijgen de mensen op de heuvel. Zelfs voor archeologen komt zo de dood wel heel dichtbij.

Dit is het belangrijkste prehistorische grafveld van Nederland. Jansen is bezig het open te stellen voor publiek, met een speciale parkeerplaats een eindje verderop. “Dit veld had natuurlijk samen met het grafveld Vorstengraf, hier vlakbij, in de Historische Canon moeten staan.”

De opvallend grote grafheuvels, met een doorsnee van tientallen meters, worden traditioneel Vorstengraven genoemd, al weten we weinig over de macht van de mensen die er begraven liggen. De graven stammen uit de Hallstatt-periode (late Bronstijd en IJzertijd, ca. 1.100 tot 500 v. Chr). Het grafveld Vorstengraf ligt 400 meter verderop, aan de andere kant van de A50. Het wordt gedomineerd door een van de grootste grafheuvels van Europa, 53 meter breed. In de jaren dertig werden in dat ‘Vorstengraf van Oss’ een groot zwaard, een drinkemmer, delen van een paardentuig, een ijzeren mes en een urn met crematieresten gevonden. Inmiddels is uit nieuw anatomisch onderzoek van de botten in die urn komen vast te staan dat die vorst onder de heuvel bij leven een jonge sterke man was. Niet de dikke ziekelijke man met een rugafwijking die er eerder van was gemaakt. Het zijn topstukken in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden en ze verschijnen regelmatig op internationale tentoonstellingen.

De grote heuvels hier, 3 en 7, en het Vorstengraf even verderop zijn ergens rond 700 jaar voor Chr. aangelegd, in een paar generaties tijd. Fontijn leidde in 2007 het afsluitende onderzoek van het terrein met de opgraving van heuvel 7, vlak achter ons. Die heuvel was bij een eerdere opgraving van het veld, door Richard Jansen, nog verboden gebied, omdat er een dassenburcht in zat. Jarenlang was het een vreemd, verlaten gebiedje vol berken, dat ook wel als ‘afwerkplek’ fungeerde, met naalden en condooms op de grond. Het duurde jaren voordat Rijkswaterstaat de dassen naar een ander gebied wist te verplaatsen.

In het nieuwe boek over heuvel 7 worden zelfs de doodlopende onderzoekswegen in kaart gebracht, zoals die naar de herkomst van organische resten in bronzen krammetjes. Ook de plaggen waaruit de heuvels zijn opgebouwd werden nauwkeurig bestudeerd (totale benodigde oppervlakte voor heuvel 7: 815 m2) Fontijn: “Ik wil in dit boek totale openheid van zaken geven. Ik wil niet dat mensen denken dat archeologen net als die psycholoog Stapel zomaar wat verzinnen.”

Een zwaard, een bijl, een mes

Van der Vaart: “Het klassieke vorstengraf bevat naast de crematieresten ook een grote bronzen drankemmer, de situla, soms met kleine drinkbekers erbij, paardenbeslag zoals een juk, bit en hengsels. Dierenbotten. En natuurlijk wapens: een zwaard, een bijl, een mes.” Het zijn de traditionele onderscheidingspogingen van een elite: nadruk op de verschijning (de wapens), op het transport (de paarden) en de feesten (de drankemmers en de dierenbotten). “Je ziet dat nog terug in de vroegmiddeleeuwse Merovingische graven.”

Het kerngebied van de Hallstattcultuur ligt in Midden-Europa, het wordt wel eens als ‘vroeg-Keltisch’ getypeerd. Maar ook hier bij Oss staan we echt in Hallstatt-land, met drie vorstengraven bij elkaar.

Maar met deze drie graven is dus iets geks aan de hand. Ze bevatten alle drie de typische vorstenkenmerken, maar spaarzaam. Het grote graf van Oss voldoet nog het meest aan de klassieke criteria, ook al bevat ook dat geen compleet paardentuig. Maar de andere twee graven worden door Duitse onderzoekers meestal vriendelijk bespot als typische Hollandse calvinistengraven. Graf drie bevat een verbrande plank (gezaagd uit een eik met twee meter doorsnee), één stuk van een menselijk bot en vier fragmenten van metalen voorwerpen. Grafheuvel 7 bevat de resten van een brandstapel, een urn met crematieresten, een stukje bewerkt bot, 1.080 bronzen krammetjes en een paar kapotte onvolledige bronzen ringen. Van der Vaart: “Ik werd door collega’s voor gek aangezien: ben je nou nog bezig met die krammetjes?”

Deze armoede van de Nederlandse graven is schijn, zegt Fontijn. “Want dit was geen slaafse imitatie van de Duitse Hallstatt-cultuur, maar een aanpassing aan de eigen symbolische cultuur van deze streken. Ja, deze graven zijn niet zo rijk als de Duitse vorstengraven uit dezelfde tijd. Maar nee, dat kwam niet omdat we hier een marginaal of armoedig gebied hadden. We kijken hier naar een grafritueel waar niets compleet werd meegegeven, altijd slechts een gedeelte. Pars pro toto noem ik dat. Geen armoe, maar bewuste keuze. Zo doen we dat hier. Zelfs de crematieresten werden niet allemaal mee begraven. Alles ontmantelen, alles breken.”

Fontijn legt uit dat in de eerste millennia voor Christus in Noordwest-Europa een vrij hardnekkige cultuur bestond waarbij vernietiging als een soort transformatie werd gezien, een verheffing naar een hogere wereld. Héél anders dan de Centraal-Europese ‘macho’-cultuur. Alleen in Nederland zijn die twee culturen gemengd. “Alleen in dit deel van de Noordwest-Europese cultuur vind je vorstengraven. Die zie je niet in Engeland of Denemarken.” Van der Vaart: “Je vindt hier maar één stukje paardentuig, of een onbruikbaar bit dat veel te groot is. Als je dat heel precies onderzoekt dan zie je dat dit heel zorgvuldig is ingepakt in textiel.”

De recente opgraving van 7 is vooral zo belangrijk omdat de archeologen ervan overtuigd zijn dat ze niks gemist hebben. Hele stukken grafheuvel zijn als één blok overgebracht naar het Restauratieatelier Restaura in Haelen, Limburg, , en daar verder uitgeplozen. Fontijn: “Toen ik zag hoe het heuvelstuk met de urn onder dat viaduct daar op een vrachtwagentje werd geladen, dacht ik wel: ‘Heb je drieduizend jaar zo’n enorme heuvel gehad, en dan word je zo weggereden.” Van der Vaart: “Door die blokken weten we dus helemaal zeker dat er maar een halve ring in het graf werd meegegeven. Waarom maar een halve? Daar ga je over nadenken.” Fontijn: “Met röntgenonderzoek hebben we in zo’n blok heel precies kunnen kijken hoe die bronzen nagels in de grond lagen: zo te zien was het beslag van een houten paardenjuk. In februari lieten ze me bij Duitse Archeologische Landesamt precies zo’n juk met beslag zien, hélemaal zoals wij het gereconstrueerd hadden!”

Vrije boeren

Maar wie zijn deze vorsten dan? In het Halstattkerngebied heb je echte versterkte plaatsen, met wallen eromheen: Fürstensitze. Daar telde kennelijk de macht van wapens. Hier is dat allemaal niet. Hier vind je hooguit een onbruikbaar gemaakt zwaard waarvan je niet weet of het ooit geschikt was als wapen. “Je had hier vrije boeren, geen overkoepelend gezag”, vertelt Fontijn. “Het enige dat wij nu nog zien is hoe die gemeenschap sommige mensen op een bijzondere wijze heeft willen begraven toen ze dood waren. Hoe groot die gemeenschap is, is moeilijk te zeggen. Ik denk dat er een paar honderd mensen bij deze crematies kwamen. Uit de wijde regio. Verder zien we hier geen duidelijke machtsstructuur. Ik denk dat je deze mensen daarom niet als vorsten moet zien maar als ‘boeren met iets extra’s’. Meer een soort sacraal koningschap, met een rituele rol.”

Ooit werd gedacht dat die mensen dat extra gezag ontleenden aan zouthandel. Maar er is geen bewijs voor zouthandel. Het enige dat duidelijk is dat er contacten waren met verre streken. Fontijn: “Ik denk dat die verre contacten status gaven, persoonlijk aanzien. In andere graven hebben we zelfs imitaties van Etruskische motieven gevonden, en zelfgemaakt mislukt glas – nagemaakt van Zuid-Europese voorbeeld. In het grafritueel wordt het verband met Halstatt benadrukt, maar wel op eigen wijze. Je ziet ook duidelijke individuele verschillen: in het graf van Oss is alles vooral ontmanteld, in graf 7 is alles gedeeltelijk gedaan en in 3 is alles gewoon heel klein. Alsof ze telkens dachten: we gaan het weer eens anders doen.”

Fontijn: “En na de crematies namen die mensen allerlei dingen mee, ook van het crematiemateriaal. Wat ze er mee deden? Misschien hingen ze het aan het plafond in huis. Het waren een soort materiële symbolen, een herinnering aan deze mensen. Zoals wij nu een T-shirt van John Lennon dragen. Misschien bleef het spul jaren circuleren.”

Veel weten we dus niet, geeft Fontijn toe. Neem die palen op dit terrein. Stonden daar nog constructies op? Van der Vaart: “Misschien werden daar allerlei doeken tussen gehangen.” Jansen: “Haha, of ze zetten er schedels op!”

Gelukkig blijft dit gebied altijd weer vragen oproepen, besluit Fontijn en hij citeert zijn favoriete dichtregel van Slauerhoff: ‘Maar toen het lag ontdekt, leek het verraad.