De menselijke majesteit

Discretie vereist. Toch lukte het om op basis van veel interviews een imposant portret te schrijven van de Moeder des Vaderlands.

Je zal er maar zitten. Je hebt bedacht dat je een boek wilt schrijven over koningin Beatrix. En dan? De Rijksvoorlichtingsdienst bepaalt, in overleg met de koningin, wat nieuws mag worden. Daar horen geen inkijkjes bij in de ziel van de vorstin. En toch was dat waar Jutta Chorus jarenlang naar op zoek was: wie is Beatrix echt?

Dan ga je toch naar de hofhouding? Kent u ze uit de media, die hofdames, grootmeesters, kamerheren, lakeien? Die zwijgen. Discretie is hun eerste en tweede natuur. Binnen haar glazen huis heeft het staatshoofd recht op een persoonlijke levenssfeer.

Gebabbel over de Vrouw des Huizes is ook onwenselijk omdat zij een staatsrechtelijk afgebakende rol vervult binnen de ministeriële verantwoordelijkheid. Wat zij vindt, denkt en voelt moet – voorzover het naar buiten komt – passen binnen de opvattingen van het kabinet. Haar vreugde is officiële vreugde, haar verdriet is nationaal verdriet.

Die spelregels kent zij als geen ander. Het algemeen belang is haar kernactiviteit. Ook als het volk behoefte heeft aan een aanraakbare, invoelbare Moeder des Vaderlands, houdt zij afstand. In ieders belang. Populariteit streelt haar nauwelijks – zij kent de tijdelijkheid en vreest de oppervlakkigheid. Daarom schuilt er een zekere tragiek in de toenemende aanhankelijkheid van het volk in periodes van persoonlijk verdriet, rond het levenseinde van prins Claus en na het ongeluk van prins Friso. Een vergelijkbaar verschijnsel treedt op wanneer zij de nabestaanden van vuur- of vliegtuigrampen bezoekt. Zij komt namens ons allen, de mensen warmen zich aan haar als vrouw en moeder.

Jutta Chorus constateert en beschrijft zulke nationale gevoelsbewegingen trefzeker, maar haar onderzoek, waarvoor zij met name in 2005, 2010 en 2012 talloze interviews heeft afgenomen, moet het hebben van de verhalen van binnenuit. Dat zijn getuigenissen uit de tweede hand. Met de koningin zelf heeft zij niet gesproken.

Anderen uit Haar kring vertellen over reacties en gedachten van de koningin op grond van hun herinneringen. Als lezer vraag je je af of de betreffende intimus de aan Beatrix of Claus toegeschreven citaten destijds direct heeft opgeschreven. Zo pregnant als een uitspraak lijkt, het geheugen is een vagebond.

Een geval apart zijn de verhalen van oud-premier Lubbers die als het ware met Beatrix mee opgroeide in de leiding van het land. Hij spreekt in dit boek veel en vrijmoedig, meer als huisvriend dan als voormalig minister-president. Zijn spraakzaamheid is eerder journalistiek dan staatkundig aantrekkelijk. Of zijn geheugen beter is dan dat van anderen is niet vast te stellen.

Het noemen van deze beperkingen betekent niet dat het boek ongeloofwaardig is, wel dat je je meer dan eens afvraagt of het allemaal echt zo is gegaan, welke nuances er nog meer speelden, of het ook zo was voor de niet-geïnterviewde hoofdpersonen. Zouden de sprekers het nog met hun eigen uitspraken eens zijn, vaak gedaan in een andere context, soms vier kabinetten geleden?

Wat kon de schrijfster anders doen? Bij gebrek aan het vermogen tot onzichtbaarheid moet een journalist die een zo afgeschermd onderwerp als een koningin wil portretteren wel trachten het vertrouwen te winnen van familieleden en mensen die werken voor of bevriend zijn met de koninklijke familie.

Daar is Jutta Chorus op indrukwekkende wijze in geslaagd. Zij geeft achterin het boek een lijst met 48 gesprekspartners en vertelt dat zij nog ‘een twintigtal’ anderen heeft gesproken die anoniem wensen te blijven. Prins Friso sprak zij twee keer in 2006. Jan Peter Balkenende één keer in 2002. Huub Oosterhuis vier keer. De grafisch ontwerpster Irma Boom, die belangrijk voor prins Claus lijkt te zijn geweest, één keer. De rijkelijk geciteerde paleisgangers geven schijnbaar vanzelfsprekend hun kijk op de koninklijke praktijk aan het hof van koningin Beatrix. De komende tijd blijkt misschien of betrokkenen zich er nog comfortabel bij voelen. Zij allen moeten het dilemma hebben gekend: loyaal zwijgen of loyaal helpen een correct beeld te geven, mét de krasjes en de hebbelijkheden van de Bijenkoningin.

Het is knap dat de verslaggever Chorus zoveel vertrouwen in de biograaf Chorus heeft opgebouwd bij die koninklijke entourage dat zij mocht langskomen en in veel gevallen nog eens kon aankloppen. Wie zich al lezend laat meeslepen dwaalt met de auteur mee door het idyllische paleisje Drakensteyn, waar Claus en Beatrix hun gelukkigste jaren beleefden, tot in het zwaarder bewaakte en ernstiger bewoonde Huis ten Bosch. Zo schetst zij het beeld van een van jongsaf aan wilskrachtig en plichtsbewust meisje dat zich verwanter voelde met haar joyeuze, directe vader dan met haar lieve en wat wereldvreemde moeder. Anders dan Willem Alexander, die als jongeman openlijk heeft getwijfeld of het koningschap iets voor hem was, droeg Beatrix haar roeping op haar revers. Ja, ik wil, want het is mijn lot.

Voor een portret van de koningin van de laatste 33 jaar komen we relatief veel te weten over prins Bernhard, met zijn Engelse bijvrouw Lady Ann Orr en in de verweesde laatste jaren. Op Paleis Soestdijk woonde prinses Juliana in hulpbehoevende omstandigheden. Haar man, die haar eens in de maand bezocht, leefde in hetzelfde huis zijn vrijbuitersinstinct nog één keer uit door ondanks een bijna-spreekverbod een keer of dertig in het geheim Volkskrant-journalisten Pieter Broertjes en Jan Tromp te ontvangen. In het na zijn dood gepubliceerde verslag van die gesprekken bagatelliseerde Bernhard nog eenmaal zijn rol in de Lockheed-affaire en maakte hij het bestaan van twee volwassen niet-Oranje-dochters bekend. Beatrix zou deze intervieweruptie volgens Chorus’ bronnen hebben aangemerkt als ‘hoogverraad’.

Haar held, die al tijdens haar jonge (oorlogs)jaren in Canada afwezig was en in Londen de bloemetjes buiten zette, viel definitief van zijn voetstuk. Voor een trouwe dochter een dreun van jewelste. Als deze lezing juist is wordt niet helemaal duidelijk uit het boek hoe een intelligente, professionele vrouw zo lang geloof kon blijven hechten aan een man die al in de jaren zeventig had bewezen zijn eigen romantische jongensleven te stellen boven het belang van de firma. Het zou iets met liefde te maken kunnen hebben.

Door velen aan het woord te laten, expliciet en impliciet, dreigt Chorus af en toe de macht over haar verhaal kwijt te raken. Soms springt zij heen en weer in de tijd om een subplot te vertellen. Daardoor wordt het verhaal hier en daar impressionistischer dan strikt nodig.

Wat zou er gebeurd zijn als Chorus na het aanhoren van al haar bronnen haar eigen verhaal had verteld? Achtte zij haar bronnen niet talrijk genoeg om te komen tot haar versie van ‘de waarheid’ of was zij (begrijpelijk) zo in haar nopjes met de uitspraken die zij had opgetekend uit al die hofmonden dat zij haar oogst wilde tonen door gul te citeren – met behulp van ingesprongen alinea’s, wat enige speling suggereert ten opzichte van een keihard, geverifieerd citaat?

Het zijn vragen over belangrijke nuances. Dit zorgvuldige en leesbare Beatrix-boek is een geïnspireerd voorbeeld van de journalistieke methode. Dat krijgt des te meer reliëf als je je afvraagt met welke historische methode bij het leven van de geportretteerde een beter resultaat te bereiken was geweest. Benieuwd of dit boek als bron voor toekomstige geschiedschrijvers zal dienen.

    • Marc Chavannes