Dit is een artikel uit het NRC-archief

Religie

Dat jihad-gedoe was toch al weer over?

Gemeenten en moskeeën hadden de laatste jaren weinig oog voor radicalisering. Ze werden overvallen door de jonge Syrië-gangers.

Een moskee in Amsterdam, een dag na Fitna (2008) van Geert Wilders. Hier kwam Mohammed B. vaak, moordenaar van Theo van Gogh.
Een moskee in Amsterdam, een dag na Fitna (2008) van Geert Wilders. Hier kwam Mohammed B. vaak, moordenaar van Theo van Gogh. Foto HH

Een jongerenwerker ziet het als een jongen een baard laat staan, islamitische kleding aantrekt en anderen aanspoort om vijf keer per dag te bidden. Zo’n jongerenwerker kan met die jongen gaan praten, en met vrienden of familie van de jongen. Om te kijken wat er aan de hand is. Maar die jongerenwerker moet er wel zijn.

Lokale overheden en moskeeën besteedden de afgelopen jaren weinig aandacht aan radicalisering. Moskeebesturen houden radicale jongeren liever buiten de deur dan dat ze in gesprek gaan over denkbeelden. Of ze hebben niets in de gaten. De meeste gemeenten deden de afgelopen twee jaar minder aan ‘anti-radicaliseringsbeleid’.

Ook het ministerie van Veiligheid en Justitie zegt het: er was de afgelopen jaren „minder aandacht” bij gemeenten voor radicalisering dan vlak na de moord op Theo van Gogh in 2004. En dus komt de forse toename van het aantal jihadisten dat naar Syrië vertrekt als een verrassing.

In het verleden hadden ze het goed voor elkaar, de gemeenten. In sommige steden, zoals Amsterdam, bestond zelfs een complete ‘radicaliseringseenheid’. Andere plaatsen hadden constructies bedacht om via jeugdzorg extreme moslimjongeren in de gaten te houden. Hoogtepunt van de inspanningen lag rondom de lancering van de film Fitna van Geert Wilders in (2008). „Op gemeentelijk niveau waren allerlei netwerken en overlegorganen opgetuigd”, zegt terrorismedeskundige Edwin Bakker. „Steden wisten precies op wie ze moesten letten en tot welke sleutelfiguren in de moslimgemeenschap ze zich konden wenden.”

Daarna nam de aandacht geleidelijk af. Radicalisering leek op zijn retour. De AIVD meldde dat in de moslimgemeenschap steeds meer weerstand kwam tegen radicalisering. „Een belangrijke voedingsbodem voor jihadistisch terrorisme is daarmee afgenomen”, schreef de AIVD in haar jaarverslag van 2009. Bakker: „Er was alle reden om tot eind vorig jaar aan te nemen dat het goed ging. En omdat het goed ging, werd er door gemeenten op bezuinigd.” Prioriteiten verschoven. „Jeugdzorg en politie hebben ook nog duizend andere problemen: pedofilie, overvallen, ga zo maar door. Het netwerk dat ze hadden opgebouwd, is verwaterd.”

De overheid moet de hand in eigen boezem steken, zegt radicaliseringsexpert Halim el Madkouri van instituut Forum. „De afgelopen twee, drie jaar is fors op het jongerenwerk en welzijnswerk bezuinigd. Dan moet je niet gek kijken als je het zicht op de jongeren verliest.” Volgens El Madkouri had de Arabische lente iedereen moeten wakker schudden. „Natuurlijk komt er dan ook vanuit Nederland een reactie.” Hij zag de afgelopen jaren vooral aandacht voor de harde aanpak: lik-op-stuk, camera’s. „Radicale jongeren pak je niet met een camera.”

Zo kon het gebeuren dat de burgemeester van Delft deze maand zei dat hij werd „overvallen” door het vertrek van een Delftse jongerengroep naar Syrië. De burgemeester heeft „geen idee” wie de jongens zijn.

PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch vindt dat gemeenten hun rol om radicalisering te signaleren beter moeten oppakken. „Het is de lokale overheid die actief moet zijn, die signalen van radicalisering als eerste moet zien. Mijn idee is dat sommige gemeenten die taak hebben verwaarloosd.”

Dat geldt ook voor moskeeën. Moskeeën zijn bang voor radicale jongeren, zegt Yassin Elforkani, jongerenimam en woordvoerder van het Contactorgaan Moslims en Overheid. „En terecht. Je hebt zo het stigma van radicale moskee.” En dus schoppen ze de jongeren er liever uit dan dat ze ze binnenboord houden. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling, vindt Elforkani, omdat de jongeren uit beeld raken. „Buiten de moskee is er geen religieuze begeleiding.”

Imams hebben gefaald, vindt Elforkani. „Ze zijn niet in staat gebleken deze groepen jongeren aan zich te binden.” De rol van de moskee is ze te omarmen, ze een warme plek geven. Dan kan je ze corrigeren.” Daarvoor moeten imams Nederlands spreken, vindt Elforkani. Ze moeten weten wat er speelt onder jongeren. „Ik geloof in de kracht van de argumentatie: Niet vertellen hoe jongeren moeten denken, maar ervoor zorgen dat ze er zelf achterkomen.”

Zo bezien is het jammer dat de vriendengroep uit Delft die radicaliseerde werd geweerd uit moskeeën. Abdelkarim Honing kent de vriendengroep, vertelt daarover. Marokkaanse gebedshuizen in Delft sloten de deuren vrijwel meteen na het vrijdaggebed. „Ze waren bang dat er in hun moskee dingen zouden gebeuren die ze niet willen.” De enige moskeeën in de buurt waar de vrienden naartoe konden, was een gematigde Turkse moskee in Delft en de Zoetermeerse Al-Qibla-moskee.

Ook daar wisten ze geen raad met de jongeren. De groep organiseerde ultraorthodoxe lezingen van de Zoetermeerse prediker Talbi, waar het bestuur zich niet in kon vinden maar ze ook niet wilden verbieden. „Als wij hadden geweten dat dit speelt hadden we er veel eerder aandacht aan gegeven.” Het moskeebestuur zegt hulp nodig te hebben van het jongerenwerk, de gemeente en werkgevers. „Als we jongeren een doel in hun leven geven is de kans veel kleiner dat ze zich verleiden tot dit soort absurde avonturen.”

Dit is het laatste deel in een serie over de jongeren die naar Syrië gaan. Reacties via jihadstrijders@nrc.nl