Vlamingen maken wèl songs met kloten

Wie verder kijkt dan het debat over de koningshymne, ziet: Nederlandse liedjeschrijvers kunnen wat leren van Vlaamse songwriters. Er is meer dan Shaffy en Brel.

Het is alsof de rauwe, gebarsten vocalen van Ellen Schoenaerts zich slijpen aan een steen. Zo klinkt een geplaagde ziel.
Het is alsof de rauwe, gebarsten vocalen van Ellen Schoenaerts zich slijpen aan een steen. Zo klinkt een geplaagde ziel. Foto Kasper Vogelzang

Begin april won Angela Groothuizen de Annie M.G. Schmidtprijs voor het beste theaterlied van 2012 met Vinkeveen. Er stak geen twitterstorm op en petities, krantenrecensies en een taalkundige ontleding bij Pauw & Witteman bleven uit. Groothuizen mocht bij De Wereld Draait Door kort vertellen hoe ze het lied had bedacht en één schamel minuutje van het lied spelen.

Vinkeveen is een knappe sfeertekening van een nachtelijke schaatstocht op ongerept ijs. Hoor hoe rijk aan klank, binnenrijm en eindrijm het is. „Op de steiger slaapt een reiger/ die het liefst in het water had gestaan./ Maar het vriest dat het kraakt/ en de winter heeft een splinternieuwe/ spiegelvloer van ijs voor ons gemaakt.” De tekstdichter laat je zwieren op zijn s-en en glijden op ie-klanken.

Groothuizen zingt mooi en helder, met als hoogtepunt de overgang van mineur naar majeur in het derde couplet, als ze de drukte van de volgende dag beschrijft. Maar de goedkope sound van de mechanische begeleiding contrasteert met de kneuterig-warme gloed van de „koek- en zopiekramen”. In die gloed klopt het Biedermeier-hart van dit nummer, een nostalgische ode aan Hollandse ijspret.

Een jaar geleden won Gerard Maasakkers de Annie M.G.Schmidtprijs met Zomaar onverwacht, ook een melancholisch getoonzette ballade, dit keer over de dood. Maasakkers mijmert: „Als ik denk hoe wij hier samen/ samen, niks aparts/ op ’nen doordeweeksen dag/ zomaar zonder erg/ gewoon hier samen waren.”

Buiten het domein van de kleinkunst stuit je bij het Nederlandstalige lied op vergelijkbare weemoedige sentimenten. Afgelopen weekend won Racoon de 3FM Award voor beste single van 2012 met Oceaan: een ballade met mierzoet strijkende viool en liefdeloos bijeengeharkte tekst: „Een oceaan om in te vluchten/ nooit jaloers te hoeven zijn/ Liefde om je hart te luchten/ Een oceaan alleen van mij.” Melodie en zang camoufleren veel, maar het onderscheid tussen de beste 3FM-single en het Koningslied is soms klein, getuige kreupele regels als: „Was er iets waar ik om wenste, voordat de put droog kwam te staan.”

Mislukte gelegenheidshymne

Wat is er met de Nederlandse liedkunst aan de hand? Ook wie langs de discussie over die mislukte gelegenheidshymne kijkt, moet vaststellen dat het gebrek aan eigenheid reden tot zorg geeft.

Tien jaar geleden overdonderde Spinvis de muziekliefhebber met zijn debuutalbum, een volstrekt verrassende combinatie van zorgvuldig geknutselde liedjes op wonderbaarlijk originele teksten. Hoe inspirerend zijn werk ook klinkt, Spinvis bleef een eenling. Is het gebrek aan talent? Of wordt het Nederlandse lied gewurgd door een verstikkende gevoeligheid voor traditie? Die traditie is overzichtelijk: links de harde scherts van het spotlied, rechts de knusheid van het luisterlied. Meer smaken zijn er niet. De zaak zit potdicht

De geest van Jacques Brel waart nog altijd rond in de theaters, waar zangers en cabaretiers zich troubadours wanen op hun piano of gitaar. Er is heus veel te genieten geweest, van Jeroen van Merwijk en Theo Nijland tot Brigitte Kaandorp en Claudia de Breij, en bij acts die meer richting popmuziek gaan, als Roos Rebergen en Eefje de Visser, maar hoogtepunten zijn schaars, want een nieuwe Brel ben je niet zo maar.

De top is smal en de gehanteerde stijlen zijn verbazingwekkend eenvormig, op het benauwende af. Muzikaal ontlopen die grappige of weemoedige kleine folkliedjes elkaar nauwelijks. Ze zijn ambachtelijk en vakkundig gemaakt, maar wat zo opvallend ontbreekt, is zin in avontuur, wat lef, zucht naar verandering of experimenteerdrift.

Wat een verademing is het dan om iemand te ontdekken die lak heeft aan conventies, zoals Ellen Schoenaerts. Op haar cd Feiten hoor je hoeveel gevaarlijker, pijnlijker en creatiever Nederlandstalige muziek kan zijn. De cd is Schoenaerts’ debuut. Voorheen trad ze op als actrice en cabaretier en als tekstschrijver van haar echtgenoot Tom Pintens, een naam in Vlaanderen. De scheiding was reden om haar eigen stem te laten horen en haar gal te spuwen. Feiten is een even verontrustend als opwekkend meesterwerk. Met een vloed aan gelaagde arrangementen en ongekend confronterende teksten van Schoenaerts, die openlijk zingt over haar drinken, haar verlatenheid, haar vertwijfeling. Ook zij wortelt in Brel en Shaffy, maar ze slaat een brug naar de eigen tijd, naar de avant-folk van Sufjan Stevens en de gruizigheid van Nick Cave.

Vanaf de eerste song is het raak. Die zet onheilspellend in met gejaagd getrommel en knerpende, stuwende viool. Schoenaerts zingt: „Ik doe heel erg mijn best om mijn leven leuk te vinden/ maar mijn lief vindt me krankzinnig/ en mijn moeder vindt me pinnig./En ik heb zo weinig vrienden en ik heb zo geen geluk.” Het is alsof haar rauwe, gebarsten vocalen zich slijpen aan een steen. Zo klinkt een geplaagde ziel. Des te ontroerender is het als ze die diep doorvoelde ellende licht relativeert, zoals in het gefluisterde Na een gesprek met R.: „En zolang ik wat kan dralen op mijn klein stukje planeet/ ben ik toch blij dat ik er ben/ ben ik toch blij dat ik leef.”

In Nederland heeft het Ellen Schoenaerts Kwartet nog nauwelijks aandacht gekregen, maar de Vlaamse pers juichte. Knack: „Een cocktail van Nederlandstalig chanson, klassiek, jazz, poëzie en avant-garde. Kleinkunst met kloten.” Humo: „Verpletterend debuut. Na Coexist de tweede plaat die ons dit najaar tot tranen toe beroerd heeft.”

Het is allemaal waar. Hoogtepunt van de plaat is Het avondrood – een instant klassiek nummer over scheiden. In het refrein overdenkt de zangeres de woede die ze nog voelt, begeleid door een misleidend zoet koortje. „Maar misschien, als de zon is gedraaid,/ wordt je schaduw weer klein./ En misschien, als wij mekaar dan weer zien,/ zal ik wat vriendelijk zijn.” De muziek groeit organisch mee met de ontwikkeling in de tekst. Pianoklanken sluiten zich bij de gitaar aan, en een viool, terwijl ze bits reageert op de toenaderingspoging van de ander: „Ik heb geen zin nog te horen dat je mij toch zo graag ziet.” Waarna het koortje ijselijk en hels van toon wordt en Schoenaerts subliem afrekent: „Dus laat je gaan./ Trek je beste kleren aan./ En zoek een meisje dat het leuk vindt,/ mee de afgrond in te gaan.” Het avondrood is een luisterlied, zeker. Maar ook: kleinkunst met kloten.

De vrije geest van Vlaanderen

Is de muzikale geest vrijer in Vlaanderen? Bij het Ellen Schoenaerts Kwartet heeft de muziek een zelfstandige rol, terwijl in Nederland arrangementen vaak louter dienend zijn ten opzichte van de zang. Jeroen van Merwijk, die zichzelf altijd begeleidt op gitaar, heeft één keer een album opgenomen met rockband Sjako! Zijn theaterliedjes kregen volume; ze gingen ervan ademen.

De meest aansprekende liedjes in het cabaret dit seizoen kwamen van Dorine Wiersma, die toert met haar aanstekelijke programma Zei ik dat? Fijnzinnige en geestige, maar ook traditionele liedjes, waarmee ze tussen Kees Torn en Kaandorp in zit.

In België verschenen recentelijk mooie Nederlandstalige platen van bands als De Fanfaar en Walrus. De Fanfaar gaat op Monster van lichtvoetig naar zwaar stampend log en terug. De indiepop van Walrus koppelt speelse teksten aan pakkende melodieën, die soms, zoals in Stilte voor de storm, uitbarsten in Beach Boys-achtige jubel.

In Nederland verscheen ook werk van zulke alternatieve acts, zoals Piepschuim en Daan Hofmans. Maar het debuut van theateract Piepschuim is nogal wisselvallig, door de geforceerd poëtische tekstjes en enkele jolige deuntjes. En Hofmans maakte vijf jaar geleden een veelbelovende, tikje bluesy debuutplaat, maar het zojuist verschenen Frederic & de Katoenvelden is braver. Hij neigt nu naar Theo Nijland, en daar is al een heel goede van. Dan liever de bonte mengeling van mariachi, chansons, smartlappen en kroegstampers, met indringende pathos vertolkt door Joris Linssen en Caramba. Hun recente voorstelling en cd Licht zijn verfrissend eigenzinnig en amodieus, en dat levert schitterende liedjes op als Maak me vrij en Als je wegblijft.

Ook bijzonder dit seizoen was de onconventionele aanpak van cabaretier Tijs Maas, die een liedjesprogramma speelde met een jazzaanpak, begeleid door een virtuoos trio. Een sterk concept, maar zwakke schakel is de beperkte stem van Maas, die ervoor koos zijn teksten veelal te zingzeggen. Zingzeggen is, bij gebrek aan bereik, een epidemische kwaal van Nederlandstalige singer-songwriters.

Misschien is het ook domweg een kwestie van aandacht, van media en publiek, voor het Nederlandse lied. Bemoedigend is het wel, wat Maas bedacht, en wat Brigitte Kaandorp en Claudia de Breij momenteel doen. Zich richten op de muziek, zonder conferences. Kaandorp „laat haar liedjes uit”, zoals ze dat noemt. En De Breij zingt nieuw werk. Haar vorige album, Hete vrede, was een succes, mede dankzij het aangrijpende Mag ik dan bij jou, een moderne klassieker. Ze nam live haar nieuwe cd op, die uitkomt in mei, met een uitstekende band.

Die muzikale armslag is maar de helft van het verhaal, want tekstueel verwijlt De Breij nog bij het groot geluk van de liefde: „Je denkt dat je alleen bent/en dat niemand naar je kijkt (...) Maar ik zie jou/ Ik zie jou/ Ik zie jou.” Net als Groothuizen gloeit ze Biedermeierlijk van tevredenheid.

Misschien komt Ellen Schoenaerts ook ooit zover. Vooralsnog kermt ze, op de cd die al honderd draaibeurten heeft overleefd: „Gelukkig zijn, het vergt zoveel tijd/ Gelukkig zijn, het vergt zoveel van mij.”