Al 100.000 bezoekers naar het Rijks

In de eerste week na heropening kreeg het Rijksmuseum dagelijks 8.402 bezoekers over de vloer. Dat zijn er 5.758 meer dan afgelopen jaar, toen alleen de topstukken te zien waren in de Philipsvleugel. In het laatste ‘normale’ jaar voor sluiting van het hoofdgebouw, in 2002, kwamen 3.055 mensen per dag naar het museum.

Dit daggemiddelde is ver boven verwachting, zegt directeur Wim Pijbes. Sterker, als het bezoek zo hoog blijft, komt het museum na een jaar uit op 3 miljoen bezoekers, een miljoen boven de doelstelling. Het komt daarmee in de buurt van de tien drukst bezochte musea ter wereld.

De eerste acht dagen vanaf zondag 14 april kwamen er 67.220 mensen. Deze week is het volgens het museum even druk gebleven, waardoor het aantal bezoekers waarschijnlijk vandaag de grens van 100.000 passeert. Het totaal aantal mensen dat het museum bezocht, ligt overigens nog hoger. Op zaterdag 13 april, de dag van de opening, kwamen al 20.000 bezoekers kijken. De toegang was gratis.

Toch hoeven mensen in het museum niet over de hoofden te lopen, zegt voorlichter Boris de Munnick. „Na jarenlang Philipsvleugel, is het verrassend te zien hoe immens groot het hoofdgebouw eigenlijk is. Het slokt al die mensen gewoon op.” Bij de Nachtwacht is het verreweg het drukst.

Vlekkeloos verliep de eerste week overigens niet. Op een trap in het atrium, bij de ingang, zijn ruwe zwarte plakstrippen aangebracht na een ongeluk. Een man viel en moest met een hoofdwond naar het ziekenhuis. Beveiligers zeggen dat hij niet de eerste was die daar viel. Een andere man kwam met een cameraploeg van AT5, omdat hij niet naar binnen mocht in een scootmobiel.

Ook kreeg het museum klachten over de bereikbaarheid van de twintigste-eeuwse collectie. Die is boven in het gebouw, maar bezoekers kunnen de ruimtes moeilijk vinden. Vooralsnog zijn er geen plannen dat te veranderen. Pijbes: „Het blijft een lastig gebouw, omdat het op straatniveau is doorsneden. In het oorspronkelijke plan van de architecten zou daar een oplossing voor komen, maar ja, dat mocht niet: die onderdoorgang moest blijven.”

Het aantal Nederlanders dat het museum in de eerste week bezocht, ligt net boven de helft: 53 procent. Dat percentage is voor het laatst gehaald in het midden van de jaren negentig. Daarna zakte het tot 30 procent. De kaarten die het museum via internet verkoopt – inmiddels al meer dan 125.000 – gaan ook voor ongeveer de helft naar Nederlanders. De buitenlanders die in de eerste week kwamen, komen vooral uit Frankrijk, Japan en Amerika. Het museum vermoedt dat het tulpenseizoen hier iets mee te maken heeft.

Opvallend genoeg is een kaartje, van 15 euro voor volwassenen, een onpersoonlijke dagpas waarmee de houder het museum in en uit kan lopen. Dat betekent dat verschillende mensen het kaartje kunnen gebruiken. Het museum is niet bang dat dit vaak gebeurt. De Munnick: „De mogelijkheid bestaat, dat weten we. Maar een bezoek aan het Rijks doe je niet in een uurtje. Bovendien kunnen wij ons niet voorstellen dat een familie uit Brazilië, om maar iets te zeggen, op elkaar gaat zitten wachten om zo met één kaartje iedereen naar binnen te krijgen.”