Zou je anders zijn als je de jongste was, of de oudste?

Het oudste kind is behoudend, het jongste kind avontuurlijk, zo wil de mythe. Waarom denken mensen dat de plek in het gezin iets uitmaakt, vraagt redacteur Ingmar Vriesema zich af.

Foto Corbis

Bent u een man? En was u het oudste kind, thuis? Met verder alleen broertjes? Dan houdt u van een opgeruimd huis. U steekt zichzelf liever niet in de schulden. U heeft een afkeer van andere mannelijke eerstgeborenen. En het liefste gaat u met een vrouw die thuis de jongste was. Ze moet maagd zijn.

Bent u een vrouw, en de jongste zus van zussen? Dan bent u avontuurlijk. Ook op latere leeftijd blijft u jong van geest. U bent goed in het veroveren van mannen. Maar u bent wel grillig, dus diezelfde mannen verlaten u net zo gemakkelijk.

Dit is geen horoscoop, dit is wetenschap uit 1961. Toen schreef de Oostenrijkse psycholoog Walter Toman zijn boek Family Constellation en legde hij vast welke persoonlijkheid hoort bij welke plek in de ‘kinderrij’. Oudste broer van zussen, jongste zus van broers, enig kind, tweeling. Acht archetypen beschreef hij, tot in de kleinste details.

Tomans conclusies, gestoeld op ‘klinisch-psychologisch’ onderzoek onder slechts vierhonderd mensen, klinken nu als doorgeslagen borrelpraat.

En toch is het verklaren van de eigen persoonlijkheid op basis van de plek in het gezin een veel bedreven hobby. Lees er interviews in kranten en tijdschriften maar op na. Journalist Hassnae Bouazza bijvoorbeeld was het jongste kind van vijf, en misschien is het daarom, zo zei ze eerder dit jaar in Trouw, dat juist zij „alles” overheeft voor haar moeder. Judoka Edith Bosch had twee judoënde oudere zussen, en wilde vroeger altijd wat zij hadden. „Ik heb tegen ze opgebokst”, aldus Bosch in de Volkskrant. Oud-SNS-baas Sjoerd van Keulen was thuis enig kind, „dus wil [ik] altijd mijn zin krijgen”, zei hij enkele jaren geleden tegen AD.

Maar valt er iets zinnigs te zeggen over de invloed van de gezinssamenstelling op iemands persoonlijkheid? En waar komt het gepsychologiseer daarover vandaan?

Sjabloondenken

Om met die laatste vraag te beginnen: het begon al bij Darwin. Dat wil zeggen: bij zijn neef Francis Galton (1822-1911), ook wetenschapper. Eerstgeborenen, ontdekte Galton, zijn oververtegenwoordigd in de kunsten en de wetenschap. Zijn verklaring: oudste kinderen zijn thuis bevoorrecht, vooral in arme huishoudens. Ze krijgende meeste aandacht en het beste voedsel, en dat is goed voor hun ontwikkeling. De Oostenrijker Alfred Adler, een van de grondleggers van de psychoanalyse, borduurde op Galton voort. Het oudste kind geniet inderdaad de volle aandacht van de ouders. Dat is fijn, aldus Adler. Totdat kind twee wordt geboren. Dan wordt de oudste ‘onttroond’. Dat onherstelbare verlies leidt bij hem of haar tot gevoelens van nostalgie en behoudzucht die levenslang kunnen duren.

In 1983 werd het naoorlogse ‘kinderrij-onderzoek’ onder de loep genomen door het Zwitserse psychologenduo Ernst en Angst Hun meta-analyse maakte duidelijk dat geen enkel onderzoek naar kinderrij en karakter methodologisch overtuigend was. Er spelen eenvoudigweg te veel variabalen een rol bij de vorming van iemands karakter. De relatie met je ouders, de cultuur van het land waarin je opgroeit, een sterfgeval , niet te vergeten de genen. Onderzoek naar de kinderrij was tijdverspilling, aldus Ernst en Angst. Of, zoals Frits Boer het zegt: „Geen enkele algemene karaktereigenschap is één op één terug te voeren naar de plek in de kinderrij. Langs de liniaal van de exacte wetenschap blijkt dat sjabloondenken te simplistisch.” Boer is emeritus hoogleraar kinderpsychiatrie en auteur van meerdere boeken over broers en zussen.

Verwend

Sinds Ernst en Angst wagen dan ook weinig wetenschappers zich aan vergaande conclusies. De laatste poging deed de Amerikaanse wetenschapshistoricus Frank Sulloway. Hij bestudeerde het wetenschappelijke debat rond Darwins evolutietheorie. Sulloway kwam tot een opmerkelijke ontdekking. Van de tegenstanders van de evolutietheorie was 56 procent het oudste kind in het gezin. Dat was veel, de gezinnen waren destijds groot. Van de voorstanders was 83 procent een later geboren kind. Sulloways Adleriaanse hypothese was dat eerstgeboren kinderen behoudzuchtiger zijn, gefixeerd op de status quo, en dus geneigd revolutionaire theorieën te verwerpen. Kinderen verderop in de rij hebben juist minder te verliezen, zijn vrijer van geest en omarmen daarom diezelfde revolutionaire denkbeelden.

Maar ook Sulloways werk, hoe doorwrocht ook, is hevig omstreden. Collega-wetenschappers noemen de presentatie van zijn data verwarrend en halfslachtig – op het verdachte af. Toch blijven mensen geneigd tot vergaande conclusies over hun plek in het gezin: ik was de oudste, dus ben ik een leidersfiguur. Ik was de jongste, dus ben ik verwend. Ik was de middelste, dus ben ik een bemiddelaar. De stereotiepe ideeën beïnvloeden zelfs de klinische oordeelsvorming van psychotherapeuten over hun cliënten, blijkt uit onderzoek uit 2004 van de Amerikaanse psycholoog Alan E. Stewart. Vanwaar dat hardnekkige geloof ?

Karaktervorming

We kunnen onze jeugd nu eenmaal moeilijk los zien van onze plek in het gezin, schrijft Frits Boer in Broers en zussen van gewone en speciale kinderen (2012): „Wanneer ik op mijn jeugd terugkijk, dan kan ik mij alleen maar zien als tweede van vier broers. Voor mij is dat een wezenskenmerk van mijn jeugd en door die bril kijk ik naar verleden en heden. Maar heeft dat mij anders gemaakt dan ik zou zijn geweest wanneer ik de oudste of de jongste van de vier was geweest? Ik betwijfel het.”

Er zijn wel enkele geldige conclusies te trekken. Eerstgeborenen zijn in hun jonge jaren meer gericht op hun ouders, de kinderen die erna komen meer op hun oudere broer of zus. Maar dat heeft geen algemene gevolgen voor de karaktervorming later. Er is maar één hard gegeven: naarmate je meer oudere broers hebt, is de kans iets groter dat je homoseksueel bent, blijkt uit onderzoek van de Amerikaans-Canadese seksuoloog Ray Blanchard. Hoe dit komt, is onduidelijk. Blanchard oppert dat het te maken heeft met de wisselwerking tussen de mannelijke foetus en het immuunsysteem van de moeder. De grotere kans op homoseksualiteit gaat alleen op voor jongens met oudere broers. Met één oudere broer neemt de waarschijnlijkheid volgens Blanchard toe naar circa 2,6 procent. Dus het is geen wetmatigheid.