Om bij Europa te horen accepteert Servië verlies van Kosovo

Servië accepteert dat het geen macht meer heeft in Kosovo. Een succes voor de EU. Maar sommige Serviërs in Kosovo dreigen de deal te dwarsbomen.

Zagreb. - Het is vandaag precies veertien jaar geleden dat het gebouw van de Servische staatsomroep in Belgrado door de NAVO werd gebombardeerd. De ruïne staat er nog, met een monumentje ernaast voor de zestien slachtoffers. Nog niemand in Servië is die dag vergeten.

Met de NAVO-inzet werd het laatste gewapende conflict in Europa beslecht, de Kosovo-oorlog van 1998-1999. Servië legde zich afgelopen vrijdag bij de uitkomst daarvan neer. De regering in Belgrado accepteert dat het geen zeggenschap meer heeft over de vroegere provincie Kosovo.

Ook de Serviërs die na 1999 in Kosovo zijn gebleven, vallen onder ‘Pristina’, de hoofdstad van Kosovo. Gemeenten met een Servische meerderheid krijgen wel een vorm van zelfbestuur.

Dit betekent niet dat Serviërs en Kosovo-Albanezen elkaar nu vertrouwen, of dat ze elkaar het bloedvergieten uit de oorlog nu vergeven. Bij het conflict vielen naar schatting 11.000 slachtoffers. Een miljoen mensen sloeg op de vlucht.

Het akkoord laat wel zien dat de Europese Unie haar uitbreidingspolitiek op de westelijke Balkan kan gebruiken als instrument om vrede en veiligheid te bevorderen. In zowel Belgrado als Pristina wordt geprobeerd om naar de toekomst te kijken, in plaats van naar het verleden.

Kosovo, waar de Serven in 1389 de slag op het Merelveld wonnen, is van oudsher grond met mythische betekenis voor Servische nationalisten, die jarenlang bezworen nooit afscheid van Kosovo te nemen. In Europa ontstonden dan ook zorgen toen de Serviërs vorig jaar een nationalistische president en een nationalistische regering kozen onder leiding van president Tomislav Nicolic, een medewerker van president Milosevic tijdens diens nationalistische bewind in de jaren negentig.

Maar de laatste jaren zijn de nationalisten een meer pro-Europese koers gaan varen. De boodschap van de EU aan Servië was niet mis te verstaan. Servië hoefde niet de vijf jaar geleden eenzijdig uitgeroepen onafhankelijkheid van Kosovo te erkennen. Dat doen vijf van de huidige 27 EU-lidstaten ook niet. Maar de EU is niet van plan bevroren conflicten te importeren. Dus als Servië en Kosovo ooit lid willen worden, moeten ze een compromis vinden.

In de praktijk heeft vooral Servië concessies moeten doen. Lang werd het noorden van Kosovo, een gebied waar vooral Serviërs wonen en dat aan Servië grenst, gebruikt als wisselgeld in de onderhandelingen. De Serviërs die daar wonen hoopten op een status aparte. Een eigen staat binnen de staat Kosovo, een beetje zoals de Servische republiek binnen Bosnië-Herzegovina.

De internationale gemeenschap, met daarin een grote rol op de achtergrond voor de Verenigde Staten, was echter duidelijk. Bosnië wordt alom gezien als een negatief voorbeeld. De etnische verdeling zorgt daar al jaren voor een patstelling die iedere voortgang hindert.

Gemeenten met een Servische meerderheid in Kosovo krijgen in het akkoord wel een vorm van autonomie, maar vallen formeel wel onder het centrale gezag in Pristina. De inofficiële ‘parallelle’ Servische structuren die nu in de Servische enclaves in Kosovo bestaan (eigen politie, eigen onderwijs, eigen ziekenhuizen), moeten worden opgeheven. Ze worden vervangen door een uitgeklede, maar wel officiële variant daarop.

Verreweg het gevoeligste thema was veiligheid. Een ongedeeld Kosovo betekent ook één politiemacht en één leger, hoewel Kosovo nog geen volwaardig leger mag hebben.

Afgesproken is dat in Servische gebieden vooral etnisch Servische politiemensen in dienst van Kosovo zullen werken. Vertegenwoordigers van Servische gemeenten krijgen inspraak in de benoeming van commandanten. In de praktijk zal moeten uitwijzen of deze constructie echt werkt. Een vergelijkbare regeling is bedacht voor rechtbanken.

Over het Kosovaarse ‘leger light’, staat niets op papier. Na de oorlog mocht die krijgsmacht geen leger meer heten; er zitten voormalige guerrillastrijders in. De Kosovaarse premier Hasim Thaci is zelf een voormalige guerrillaleider en hij is niet onomstreden. Het akkoord is vooral moeilijk te accepteren voor Serviërs die in het noorden van Kosovo wonen en die nog hoop hadden op aansluiting bij Servië. Ongeveer tienduizend Serviërs gingen gisteren de straat op in de Noord-Kosovaarse stad Mitrovica, die is verdeeld in Servische en Albanese wijken.

Lokale leiders zeiden dat ze de uitvoering van het akkoord zoveel mogelijk zullen dwarsbomen. Sommige Serviërs dreigen alsnog, veertien jaar na het conflict, naar Servië te vertrekken. Ze voelen zich gesterkt door machtige orthodoxe kerk, die het akkoord gisteren fel afwees. Kosovo wordt gezien als de geboortegrond van de Servische orthodoxe kerk en is volgens de geestelijkheid onlosmakelijk en tot in de eeuwigheid met het land verbonden.

De Serviërs in Noord-Kosovo worden nu definitief een etnische minderheid in een land gedomineerd door etnische Albanezen. De lokale economie is er volledig afhankelijk van Servië. Een groot deel van de bevolking is Servisch ambtenaar of heeft een uitkering. De grijze economie profiteert tot nu toe met smokkel en belastingontduiking van de onduidelijke status van het gebied. Ook daaraan zal een einde moeten komen.

Uit de boze slogans, gisteren in Mitrovica en elders, sprak woede, maar ook grote machteloosheid. De demonstraties, blokkades en soms geweld in Servische delen van Kosovo in de afgelopen jaren waren in de comfortabele wetenschap dat ‘Belgrado’ achter ze stond. Nu is er een nieuwe realiteit.