Krooneend

Het mannetje van de krooneend.
Het mannetje van de krooneend. Foto Garry Bakker

De krooneend (Netta rufina) is groter dan de meeste andere inheemse eendensoorten. Hij ligt hoog op het water en zijn verenkleed doet, in combinatie met een bloedrode snavel, exotisch aan. De kop en bovenhals zijn vosbruin, met een ronde, goudgele kuif over de gehele bovenkop. Als hij die bij opwinding opzet, krijgt de eend het koninklijke randje waar hij zijn naam aan dankt. Het wijfje is, zoals bij bijna alle eendensoorten, grauwbruin en mist de adellijke allure van de woerd. Ook het geluid is verschillend. Het mannetje roept een opvallend, raspend kurr terwijl het wijfje zacht en knarsend kwaakt: rerr.

Het hart van zijn verspreidingsgebied ligt in Centraal-Azië, in Europa komt de krooneend sporadisch voor. Hier is hij pas sinds 1942 officieel broedvogel. Hij was altijd zeldzaam, maar de laatste jaren neemt de Europese populatie toe. In Nederland stond de teller in 2011 op 420-480 paar, met de Vinkeveense Plassen en de Veluwse randmeren als belangrijkste broedgebieden. Wereldwijd zijn er twee andere krooneendsoorten: de bruine krooneend (Netta erythrophthalma) in Afrika en Zuid-Amerika, en de peposaka-eend (Netta peposaca) in Argentinië en omstreken.

Alleen al om zijn zorgvuldige selectie van leefgebied en voedsel – helder water en kranswieren – is de krooneend een soort voor fijnproevers. Mijn laatste ontmoeting, vorige week op de Vinkeveense Plassen, was echter ontnuchterend. Ze werden massaal gelokt en gevoerd met boterhammen. Het majestueuze is eraf.

De auteur is bioloog en conservator van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam.