Kinderen kun je niet genoeg bevestigen

In de rubriek Thuis& elke week een interview over familie en gezin. Vandaag: SGP-fractievoorzitter Kees van der Staaij.

Nederland, Benthuizen, 20-04-2013 Kees van der Staaij, fractievoorzitter SGP Tweede Kamer PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS
Nederland, Benthuizen, 20-04-2013 Kees van der Staaij, fractievoorzitter SGP Tweede Kamer PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2013

Hij is fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer. Hij groeide met twee broers en twee zussen op in een orthodox-christelijk nest, maar Kees van der Staaij (45) ervaarde het geloof nooit als een knellend juk. Samen met zijn vrouw Marlies adopteerde hij twee kinderen uit Colombia, Michaël (12) en Camila (9), met wie ze in het Zuid-Hollandse Benthuizen wonen.

Uit wat voor gezin komt u?

„Tijdens de adoptieprocedure van onze kinderen kregen we ook die vraag, en toen was de conclusie van de onderzoekster van de Raad voor de Kinderbescherming: ‘Je hebt eigenlijk niks meegemaakt, hè?’ Nee, sorry mevrouw. Mijn vader is niet weggelopen en niemand is ontspoord. We waren een harmonieus en hecht gezin, op elkaar betrokken. In contrast met anderen merkte ik soms dat dat niet vanzelfsprekend was. Dan hoorde ik bij de bushalte op weg naar school iemand vragen waarom zijn broer er niet was. ‘Geen idee, ik heb hem niet gezien vanmorgen.’ Dat vond ik dan zo vreemd. Je wéét toch van elkaar als er iets is?”

Welke les heeft u van huis uit meegekregen?

„Betrouwbaarheid. Openheid. Er waren altijd discussies bij ons thuis, ook over politiek, zo leerden we onze mening geven. Mijn ouders leerden ons ook dat ons geloof en onze manier van in het leven staan niet vanzelfsprekend was. Dat moest ook wel: we woonden in Vlaardingen en later in Tiel – geen kleine dorpen waar alleen maar mensen van de eigen gereformeerde gezindte tegenkwamen. Dus het is niet zo dat ik pas hier in Den Haag heb leren omgaan met andersdenkenden.

„Wat onze ouders ons ook voorhielden, en voorleefden: dat het veel belangrijker is hoe je als mens bent dan wat je maatschappelijke positie is. Mijn ouders hadden liever iemand over de vloer die laaggeschoold werk deed en integer was dan een zogenaamd geslaagde topfiguur die zich horkerig gedroeg. Wij kinderen werden ook niet afgerekend op onze schoolprestaties, maar op inzet. Als ik met een slecht cijfer voor scheikunde thuiskwam, was dat geen probleem, zolang ik mijn best deed.”

Hoe zou u uw vader omschrijven?

„Als zeer actief en sociaal betrokken. Hij werkte jarenlang als directeur van de sociale dienst in Tiel, en was daarnaast secretaris van het wetenschappelijk bureau van de SGP. Nog steeds zit hij in allerlei adviesraden en organisaties. Ook al had hij het altijd erg druk, wanneer ik me ergens zorgen over maakte, was hij er voor me. Van huis uit was hij maatschappelijk werker, iemand met wie je goed kon praten.”

En uw moeder?

„Mijn moeder is drie jaar geleden overleden, ze was pas 67. Het komt nog geregeld voor dat ik haar iets wil vertellen om dan te beseffen dat ze er niet meer is. Het is heel gek, als in het leven dingen goed gaan, is het veel moeilijker om er woorden voor te vinden dan wanneer iets misgaat of problematisch is. Als ik aan mijn moeder denk, zie ik haar zitten achter ons orgeltje en hoor ik de muziek die ze speelde waar ik als kind helemaal warm en blij van werd.

„Het gevoel dat zij en mijn vader me onvoorwaardelijk accepteerden, dat ik goed was zoals ik was. Het is aan de ene kant vanzelfsprekend, maar aan de andere kant ben ik me er door de verplichte adoptiecursussen van bewust geworden hoe enorm belangrijk die basisgeborgenheid is, voor álle kinderen. De knuffels, de complimentjes, de knipoog. Naar mijn idee kun je kinderen niet vaak genoeg bevestigen.”

Wat wilde u als kind worden?

„Volwassenen zagen wel een arts-zendeling in mij. Op school schreef ik verhaaltjes over mensen die in de gevangenis tot inkeer kwamen, dat zal ermee te maken hebben. Het is er niet van gekomen. Mijn jongste broer studeert nu wel voor predikant. Al mijn broers en zussen zijn kerkelijk betrokken gebleven; kennelijk was het geloof voor ons geen knellend juk waar je je aan moest ontworstelen. Nee, we hadden geen televisie, maar wel een volgestouwde boekenkast en een enorme leescultuur. Ik was zelf ook werkelijk geïnteresseerd in allerlei dingen rond godsdienst. Op zondagmorgen ging ik vóór onze eigen kerkdienst nog even naar de hervormde kerk.

„Goed, dat was een eigenaardigheid van mij, maar het zegt wel wat natuurlijk. Voor wie er van buiten tegenaan kijkt, mag het orthodox-christelijke geloof streng lijken doordat we er bepaalde waarden en normen en leefregels op na houden. En sommigen ervaren het ook inderdaad zo, dat weet ik, maar ik heb van huis meegekregen dat leven met God iets moois is. Wij proberen dat ook weer op onze kinderen over te brengen, door uit te leggen – bijvoorbeeld - dat de zondagsrust een dag is waarop je als gezin extra aandacht hebt voor elkaar.”

Hoe vaak belt u met uw ouderlijk huis?

„Ik belde mijn moeder elk week, altijd op woensdagmorgen om kwart voor negen, en mijn vader op zaterdagmorgen om dezelfde tijd. Ik vond het belangrijk om met hen allebei apart contact te onderhouden. Nu bel ik mijn vader twee keer per week. We hebben nog steeds een plezierige band. Laatst heb ik op de landelijke partijdag een rede gehouden en dan vertelt hij wat hij daarin waardeerde. Zit je op je 45ste nog te wachten op complimenten van je vader, kun je je afvragen. Maar toch: dat doet me goed.”

Wat doet u in de opvoeding anders dan uw ouders?

„Niet zoveel. Wat anders is dan bij ons vroeger thuis: ik ga zo nu en dan met de kinderen apart een uitstapje maken. Met Michaël ben ik naar Parijs geweest, en als Camila tien is, doe ik dat met haar ook. Aandacht en liefde kunnen kinderen nooit te veel krijgen, denk ik, maar omdat adoptiekinderen in meer of mindere mate een wond met zich meedragen vanwege het afgestaan-zijn, moet je er bij hen toch nog extra op letten dat ze zich veilig en geborgen weten. We hebben hen als baby bijvoorbeeld nooit ’s nachts laten huilen. Maar op het materiële vlak zijn er natuurlijk wel grenzen, en ik vind het weleens moeilijk om de kinderen dingen te weigeren. Als Michaël aan het sparen is voor een Wii en hij klaagt dat het niet snel genoeg gaat, moet ik me inhouden om niet het ontbrekende bedrag bij te passen.

„Soms ga ik overstag, zoals toen ze na een reptielenfeestje allebei een slang wilden. Zodat we nu, niet geheel tot mijn genoegen, een terrarium in huis hebben met twee korenslangen.”