Ik zie mezelf als vaandeldrager

Podiumdichter Ellen Deckwitz leest elke dag een dichtbundel en schrijft zelf 4.000 woorden per dag. „Ik leef in geleende tijd. Daarom werk ik heel hard”

Nederland, Amsterdam, 13-04-2013 Ellen Deckwitz, Nederlandse dichteres en schrijfster.PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS
Nederland, Amsterdam, 13-04-2013 Ellen Deckwitz, Nederlandse dichteres en schrijfster.PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2013

Ze droeg een prinsessenjurk toen ze vorig jaar, tijdens de opening van het Boekenbal, een column voorlas over voetbal. Voor het contrast. Het meisje dat over assisten en lobjes praat.

Dat komt: een publiek heeft al een oordeel over je voordat je begonnen bent. En Ellen Deckwitz („Vrouw, dertig jaar, podiumstem die lijkt op die van Femke Halsema”) speelt daar graag mee. Ze noemt zichzelf een „podiumdichter pur sang” en daar schaamt ze zich niet voor. Effectbejag, horen podiumdichters soms van andere dichters. Maar toevallig is Deckwitz, die al jaren kan leven van haar optredens, óók goed op papier. Ze won verschillende prijzen en volgend jaar verschijnt haar eerste roman.

Ellen Deckwitz spreekt in razend tempo. Over de reis naar Oman deze week, voor een optreden met collega’s Abdelkader Benali en Mustafa Stitou. Over de pijnlijke prikken die ze daarvoor net gekregen heeft. Over het feit dat ze geen kinderen kan krijgen, en over haar eerste boek omdat ze een idee had dat niet in poëzie te vatten is.

Volgens collega en vriend Ingmar Heytze ben jij het beste dat de Nederlandse poëzie de laatste jaren heeft voortgebracht.

„Er zijn de afgelopen jaren dichters gedebuteerd die ik origineler vind dan mijzelf. Mijn extra bijdrage is dat ik goed ben in optreden, en dat ik poëzie uitdraag op scholen en universiteiten. Ik wil poëzie van dat duffe imago ontdoen, van dat vreselijke dagboekimago. Ik zie mezelf als een vaandeldrager voor de jongeren. Weinig anderen doen dat. Poëzie kan mensen zo veel troost en begrip geven. Het laat zien dat we nog niet alles weten en dat we nog niet alles hebben geproefd.”

Dat klinkt vaag.

„Klopt. Het gaat júíst om vage dingen die nog geen cliché zijn geworden. Dat is de pech van poëzie. We hebben nog zo weinig poëzie tot ons gekregen, en we krijgen op school te weinig gelegenheid om erover na te denken. En als je dan op je achttiende meteen met Lucebert begint, omdat je niet hebt geleerd waar je moet beginnen, ja, dan snap je het niet. Stravinsky vind je ook teringherrie als je niet eerst de soundtrack van Lord of the Rings hebt gehoord.”

Waar moet je dan wel beginnen?

„Bij de toegankelijke poëzie: Vasalis, de Tachtigers, Hans Lodeizen. Niet met Tonnus Oosterhoff, ook al is hij één van de beste. Het is net als met Pokémon: je beestje is niet meteen super-uitgeëvolueerd. Ik las eens een gedicht over vriendschapsverdriet. Het is een vorm van weemoed, het legt de nadruk op dat jij verandert, dat je je niet op dezelfde manier ontwikkelt als je vrienden. Dat ik bijvoorbeeld geen kinderen kan krijgen en mijn vrienden wel: dat zijn dingen die buiten mijn wil mijn leven bepalen. Maar pas als iemand dat benoemt, in taal vat, dan is het rechtsgeldig. Poëzie loopt daarin altijd voor.”

Dichters benoemen gevoelens eerder?

„Ja. En dat doen ze opzettelijk vaag, zodat de lezer eruit kan halen wat hij wil. Het maakt de wereld mooier en het kan je happy maken.”

Maak je daarom poëzie?

„Nee. Ik maak het omdat ik niet zonder kan. Het is een tic, zoals anderen hun agenda volkliederen met Garfield. Mijn grootouders hebben in een Jappenkamp gezeten, maar spraken daar nooit over. Als oma zei: ‘Straks ga ik dood en lekker liggen rotten in een kist naast je opa’, dan vond ik dat – ik was twaalf – niet leuk om te horen. Door dat familiegeheim, die verzwegen geschiedenis van mijn grootouders, vond ik het moeilijk om mensen te vertrouwen. Daarom ben ik zo kien om me te uiten in poëzie. Het is een manier om me te tonen en tegelijkertijd langs mensen heen te kletsen – omdat het zo lekker vaag is.”

Uit je gedichten blijkt een angst voor dood en verval.

„Ja, als puber onderhandelde ik met mezelf: er is vast leven na de dood, over 60 jaar zijn de medicijnen vast heel goed. Maar een zomer op een begraafplaats werken, wat ik na de middelbare school heb gedaan, bleek een goede remedie. Ik overwon mijn angst dankzij heel praktische kwesties, zoals: deze mevrouw wil onder een boom begraven worden, wat doen we met de wortels? Mijn familie is zwaarmoedig aangelegd. Al generaties lang. Zoals anderen een brilletje moeten op hun achtste, zo kreeg ik op mijn twintigste mijn eerste depressie. En daarna elk jaar weer. Op mijn 28ste kreeg ik een depressie waardoor ik écht niet meer uit bed kwam. Nu zit ik voor de rest van mijn leven aan de medicijnen en heb ik me erbij neergelegd dat ik een kans van 66 procent heb op een terugval. Antidepressiva slikken is alsof je ineens in een diesel zit terwijl je benzine gewend bent: je trekt veel sneller op en accelereert heel anders. Ze zeggen dat antidepressiva alles afzwakt, maar met zenlessen, yoga en knetterveel sporten kun je dat vermijden. Hoewel dik worden ook in mijn genen zit, zit ik dankzij die zwarte ziekte nog onder maat 40.”

Is het die zwaarmoedigheid die jou een goede dichter maakt?

„Nee. Als je depressief bent, kun je niks meer, ook niet schrijven. Ik leef in geleende tijd, omdat ik niet weet wanneer de depressie weer toeslaat. En daarom werk ik heel hard. In afwachting van de zwarte golf schrijf ik 4.000 woorden per dag aan mijn roman. Kan ik zeven gedichten per week schrijven. „Ik lees elke dag een dichtbundel en twee, drie boeken per week. Ik móét mijn hoofd soepel houden, mezelf trainen. Ik schrijf snel, lees snel en praat snel. Dat kan een positief effect zijn van mijn depressies: de snoertjes in mijn hoofd werken enorm goed. En nou ja, soms brandt er dan eentje door.”

Hoe doe je dat, zeven gedichten per week?

„Ik heb een metafoorknopje. Als ik door de stad loop worden huizen niet door bomen onderbroken, maar het bos door de stad. Zo kijk ik naar dingen, om niet uitgekeken te raken. Ik vind het leuk om zo te denken.”

Je kunt leven van je werk.

„Dat kon ik al ruim voor mijn debuut. Geen dichter leeft louter van de opbrengst van zijn bundels. Ik treed vier, vijf keer per week op en geef daarnaast ongeveer twee workshops per week op scholen en universiteiten. Maar het is ook zwaar. Ik reis heel Nederland en Vlaanderen door. Soms ben ik vier uur onderweg voor een optreden van een kwartier.”

Wie is volgens jou de beste dichter van de laatste jaren?

„Lieke Marsman, vanwege haar speelse vernieuwing. Marije Langelaar, omdat zij alle dimensies door elkaar mixt. En Tjitske Jansen, om haar toegankelijkheid en gelaagdheid. Allemaal vrouwen. Vrouwen moesten zich lange tijd veel meer bewijzen dan mannen, werden veel harder aangepakt in recensies. Dus dan zorg je vanzelf dat je nog beter wordt. They worked their asses off.”