Helaas voor arbeidsmigrant

Ook als Nederlanders het werk niet doen, moeten werkgevers vaak toch buitenlanders ontslaan, schrijven Erik Scheers en Arend van Rosmalen.

Het is niet de bedoeling dat migranten het werk gaan doen waarvoor ook Nederlanders in aanmerking komen. De Wet arbeid vreemdelingen gaat er al sinds jaar en dag van uit dat Nederlanders – en, schoorvoetend, de Europese medeburgers – voorgaan op de arbeidsmarkt. Migranten van buiten de EU komen daarna.

Vorige week debatteerde de Tweede Kamer over regels die de kloof tussen de geprivilegieerde EU-burger en de arbeidsmigrant van daarbuiten vergroot. Veel arbeidsmigranten, mensen die in Nederland meer hun best doen dan Koos Werkeloos, zullen in deze kloof verdwijnen. Dat betekent marginalisering, een schimmig milieu van illegale tewerkstelling, je mond houden – en vooral niet integreren. Ook het Nederlandse bedrijfsleven, dat uitgaat van een internationale arbeidsmarkt, wordt opgezadeld met overregulering.

Allereerst is voorgesteld dat UWV de werkvergunning straks makkelijker kan weigeren. Daarvoor hoeft alleen een match tussen de vacature en het werkzoekendenbestand te worden gevonden. Nu dient deze werkzoekende ook geschikt te zijn en bovendien bereid om de baan aan te nemen, maar deze voorwaarde verdwijnt. Is de werkzoekende ongeschikt of niet bereid aan de slag te gaan, dan blijft de werkgever met een minder geschikte kandidaat of een onvervulde vacature zitten.

Werkvergunningen worden één jaar geldig, kunnen niet vanzelf worden verlengd, en de migrant moet, in plaats van drie jaar, vijf jaar wachten voordat hij zonder werkvergunning mag werken. Gevolg is dat werkgevers, anders dan nu, straks jaar in jaar uit – vijf jaar lang – hun best moeten blijven doen om geschikte werknemers te laten vervangen door een eventuele Europese kandidaat. Zelfs na vier jaar trouwe dienst en een contract voor onbepaalde tijd kunnen werkgever en werknemer op grond van een mogelijk fictieve (want niet geschikte of beschikbare) kandidaat bij UWV, alsnog genoodzaakt worden afscheid te nemen. De werkgever heeft voor niets in zijn personeel geïnvesteerd – de werknemer krijgt met zijn familie een enkele reis terug, met dank voor de inspanning.

Het Nederlandse bedrijfsleven wint niets bij de aanscherping van de regels over arbeidsmigratie. Talloze rapporten en commentaren, inclusief het advies van de Raad van State, geven hier uitdrukking aan. Belangrijke Nederlandse bedrijfstakken – denk aan technologie, handel en horeca – danken hun bestaan voor een groot deel aan arbeidsmigranten. Natuurlijk, het managementsegment en de hoogopgeleide specialisten zullen als kennismigrant ook zonder werkvergunning naar ons land kunnen komen, maar het is naïef om te denken dat we er daarmee zijn. Steeds wanneer het bedrijfsleven een faciliteit outsourcet schreeuwt Den Haag moord en brand, maar tegelijk ontbreekt de durf om het werkklimaat voor het internationaal opererende bedrijfsleven in Nederland ook echt aantrekkelijker te maken.

Kortom: het zijn in het geheel van de immigratie juist de arbeidsmigranten die precies doen wat Nederland nodig heeft. Ook in culinaire en bredere culturele zin zijn zij het die de Nederlandse smaak verrijken. Werk integreert, doorbreekt cultureel isolement en voorkomt criminaliteit. Nederland zou zich in de handen moeten wrijven met deze mensen, en tegenover hun inbreng een realistisch toekomstperspectief moeten bieden. Onze uitkeringsgerechtigden kunnen inspiratie putten uit hun mentaliteit, in plaats van er afgunstig op neer te kijken.

Erik Scheers en Arend van Rosmalen zijn advocaten in Amsterdam.