è

Vroeger kon je woorden op twee manieren beaccentueren. Lange klinkers kregen een accent aigu: ‘Maar kun je mij nu één reden geven om het níét te doen?’ Korte klinkers kregen een accent grave: ‘Ècht? Maar wèrk je dan nog wel?’

Dit laatste is op een bepaald moment, onder invloed van duistere krachten, veranderd. Het is nu: ‘Écht?’ Dat ziet er raar uit. Er hebben zich bij mij ook al boze mensen gemeld. Ik ga er niet over, dus het enige wat ik kan zeggen is: het ís niet anders.

Inmiddels komt de è alleen nog maar voor in woorden als ‘blèren’. En daar wordt geen nadruk mee bedoeld, maar meer een langgerekte zeurklank. Over deze langgerekte zeurklank wilde ik het nu eens hebben.

Er zijn behoorlijk wat woorden met de zeurklank erin.

Denk aan migraine: een heel nare ziekte. Maar waarom moet zo’n nare ziekte dan zo’n vervelende, zeurderige naam hebben? Daardoor lijkt het een ingebeelde zeurziekte, terwijl het dat niet is.

Dezelfde klank komt voor in het woord ‘beige’. Beige. Er schijnen mensen te zijn die houden van deze kleur. Dit is moeilijk te begrijpen. Bij het horen van het woord ‘beige’ stel je je automatisch een appartement voor in een flatgebouw. Er staat een beige bankstel. Voor het raam staat een vrouw in een beige jurk wanhopig te roken. Bèèège. Zucht.

En dat brengt mij tot een andere zeurwoord waar ik helaas zelf veel mee te maken heb, en dat is het woord ‘cabaretière’. Dat schijn ik te zijn. Ik probeer mijzelf consequent ‘cabaretier’ te noemen. Niet dat dat nou zo’n leuk woord is – verre van zelfs (‘Mensen, daar zitten we dan met z’n allen’). Maar het eindigt in een vrolijk ‘jééé!’, in plaats van dat beige, migraine-achtige, derrière-achtige cabaretière. Misère.

De enige wezens die de è op een levenslustige wijze weten te uiten, zijn de schapen. ‘Bèèè!’ roepen zij. En wij krijgen zin in de lente.

Op deze plek schrijft Paulien Cornelisse schrijft elke week een column over taal.