Bruisend bloed

O p de wereldranglijst van de UCI staan op dit moment drie Colombianen bij de eerste tien. Nairo Quintana prijkt op plaats zes, Sergio Henao op zeven, Carlos Betancur op negen. De laatste zagen we in finale van zowel de Waalse Pijl als Luik-Bastenaken-Luik een bijzonder vinnige, zeg maar gerust een knetterende demarrage plaatsen. Beide keren reikte hij net niet ver genoeg voor winst, maar duidelijk was dat Betancur de benen van de gevestigde orde lek schoot.

Een paar weken geleden zag ik hoe makkelijk Quintana de winterse Ronde van het Baskenland op zijn naam schreef. Bergop stabiel in de frontlinie, en tweede in de afsluitende tijdrit op maar een kwartminuutje van de Duitse uurwerkspecialist Tony Martin. Daar moet een mens jus voor in de poten hebben.

Henao is een knechtje van Wiggins en Froome, maar het zou me niet verbazen als in de toekomst af en toe de rollen worden omgedraaid. De opmars van de Colombianen lijkt niet te stuiten.

Zijn er verklaringen voor deze opmars? Soms wordt gewezen op het voordeel dat de Colombianen hebben omdat ze op grote hoogte zijn geboren en opgegroeid: hun bloed moet wel bruisen van de zuurstof. Maar die voordelige effecten worden snel teniet gedaan wanneer je bent afgedaald. Quintana, Henao, en Betancur wonen het grootste deel van het jaar in Pamplona in het huis van Rigoberto Urán – nog zo’n Colombiaanse eekhoorn – op een hoogte van pakweg 500 meter.

Begin jaren tachtig koerste ik voor het eerst tegen Colombiaanse coureurs die wél rechtstreeks uit hun geboorteland kwamen. In de cols van de Dauphiné Libéré werden wij, verbijsterde Europeanen, in de pan gehakt door de fijne klimmertjes. Ene Martin Ramirez droogde de grote Bernard Hinault ook nog eens vakkundig af in de tijdrit. Ramirez won de Dauphiné omdat landgenoot Pacho Rodriguez in zijn leidertrui opgaf met een tendinitis. De Colombianen joegen ons angst aan. In de Tour de France bleken de bubbeltjes in hun bloed goddank een stuk afgenomen, al bleven het potente springveren in de bergen.

In die tijd leerde ik dat Colombia een heuse wielertraditie kent. Wielrennen is er een volkssport. Er zijn nog steeds clubs met behoorlijk veel leden, er is aanwas uit de jeugd, er zijn gesponsorde ploegen, er wordt gekoerst, veel gekoerst, meestal in het hooggebergte. Wie daar een grote is kan er hier ook wat van. En er is structuur. De laatste jaren hoor je niet vaak meer dat een coureur ontvoerd is, of tegen een kogel is aangelopen. Het kan betekenen dat de banden met de drugsmaffia minder innig zijn.

Henao, Quintana, Betancur en anderen zijn getalenteerde, sterke wielrenners die een vrij natuurlijk selectieproces hebben doorlopen. Ze hebben dromen. Dat lijkt me iets universeels.