Brieven

Nieuw Wilhelmus

Teneinde tegemoet te komen aan de kritiek op het Wilhelmus wat betreft de verouderde, puur godsdienstige benadering, maar ook de tekst van het eerste couplet met zinnen als ‘de koning van Hispanje’ en het ‘Duytsen bloed’, heb ik zeven aanvullende coupletten voor ons volkslied gedicht, die het van een protestsong van 500 jaar geleden maken tot een lied over ons verleden, heden en toekomst.

Het zou zonde zijn om de prachtige melodie los te laten. Bij dezen het eerste en zesde couplet:

Wilhelmus van Nassouwe

heeft ons destijds geleid

met wil en inspiratie

ging hij ons voor in strijd.

Zo wonnen wij de vrijheid,

ons allergrootste goed.

Als eerste volk op aarde

ankert die in ons gemoed.

Met hoop en zonder vrede

en juist met zeer veel moed,

gaan wij thans met Europa

de toekomst tegemoet.

Als wij maar kunnen houden

ons recht en onze kracht,

het fundament van ‘t leven

dat de vrijheid heeft gebracht.

J.H. Weeda

Den Haag

Koningslied sluit godvrijen uit

Wie bij zinnen is, zal sowieso geen animo hebben om in te stemmen met het potsierlijke Koningslied. Wie behoort tot de meerderheid die zich van het godsgeloof heeft bevrijd, kan zelfs niet meezingen:

De W van welkom in ons midden

Tot welke God je ook moge bidden

De rijmelaars die het Sinterklaasgedicht hebben gewrocht, gaan er dus nog steeds van uit dat Nederlanders in een god geloven. Hun idee van ons land is even fossiel als de monarchie zelf.

Anton van Hooff

Nijmegen

Koning, verbroeder ons

Aan Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Oranje,

Ik vraag mij oprecht af waarom u niet gereageerd heeft op de ophef rondom het Koningslied. U had zich een ware aanstaande Vader des Vaderlands kunnen tonen door een poging te doen uw onderdanen te verbroederen. Misschien heeft u het overwogen, maar is het u afgeraden, bijvoorbeeld om de neutraliteit in stand te houden waarin het Koningshuis zich traditiegetrouw hult. Mocht dit zo zijn, dan is dat jammer, want een ware koning laat zich adviseren, maar niet manipuleren.

Daarom deze oproep aan u: verbroeder uw onderdanen in het gekrakeel rondom het Koningslied dat voor u geschreven moest worden. Zie in dat dit voortkomt uit het feit dat wij u niet werkelijk kennen, dat iedereen naar beste eer en geweten iets probeert te doen, maar dat tot nu toe alle koningsliederen meer gaan over de mensen die ze gemaakt hebben dan over u, en dat de enige oplossing is dat u ons uw karakter toont en ingrijpt. Brul alstublieft eens als de Nederlandsche Leeuw die – dat weet ik zeker – in u huist, en stop met u voor te doen als een schoothondje, want dat bent u niet. Laat zien dat u het waard bent om een koningslied voor te schrijven.

En voeg er een meteen een P.S. aan toe voor onze minister-president, waarin u aangeeft dat niet de klant koning is, maar dat ú de koning bent, of althans zult zijn.

Taco Sorgdrager

Den Haag

Máxima’s gelijk

Het meest opmerkelijke in de hartstochtelijke discussie over het Koningslied is wel het idee dat er één lied zou kunnen bestaan dat alle Nederlanders mooi en geschikt vinden. Het gedoe over ‘één volk’ en ‘ons feest’ werd al erg bedenkelijk, maar één lied? Dat was toch ook al nooit gelukt met een kerk, een politieke partij, padvindersclub, of wat de pot moet schaften? Ali B, de Zangeres zonder naam en Simeon ten Holt mogen zich ieder in een grote schare fans verheugen, de liefhebber van de één wordt niet warm – soms misschien zelfs een beetje koud – van de muziek van de ander. Ik zou zeggen: lekker zingen voor de koning, met een snik in de stem en in wat voor Nederlandse grammatica, spelling of rap dan ook (oote oote boe?).

En aan de verontwaardigde protesteerders: doe Nederland een plezier en maak je eigen koningslied. Dan kunnen we op 30 april op waardige wijze ons Nederlandschap verklanken: veelkleurig, divers en immer met groot gelijk -en daarmee nooit te beroerd iedere suggestie van eenheid met de grond gelijk te maken.

Jeannette Pols

Weesp

De senaat is geen bedrijf

De Eerste Kamer heeft geen toegevoegde waarde als deze steeds het werk van de Tweede Kamer ondermijnt, aldus VVD-fractieleider Zijlstra. Terecht is opgemerkt dat VVD en PvdA zelf het probleem hebben veroorzaakt van een coalitie zonder meerderheid in de senaat. En dat de omschrijving die Zijlstra van de positie van de Eerste Kamer geeft, niet in de Grondwet valt terug te vinden. Maar onbelicht zijn zijn ideeën over de werking van de democratie in het algemeen. Als neoliberaal pur sang ziet hij de overheid als een bedrijf dat op technocratische wijze moet worden gerund.

In een parlementaire democratie staat de kiezer centraal. Die mag stemmen op een partij die akelige denkbeelden verkondigt, een eng groepsbelang verdedigt, geen vrouwelijke of homoseksuele vertegenwoordigers kent of domweg een middelvinger wil opsteken naar de bestaande orde. Ook in de motieven die een volksvertegenwoordiger heeft om tegen een wetsontwerp te stemmen, mag Zijlstra niet treden.

Wie in Rutte I tegen een wetsontwerp van Zijstra stemde, mocht dat om allerlei redenen doen. Uit compassie met de getroffen cultuursector, dan wel na grondige analyse van de onvoorziene gevolgen. Of omdat zijn dochter graag bij het toneel wilde. En zelfs omdat hij vindt dat Zijlstra de uitstraling heeft van een gemeenteambtenaar in Sexbierum, die ‘s avonds voor de spiegel oefent voor weerman. Jammer, maar zo werkt de democratie in de praktijk.

August Hans den Boef

Vorden