Opinie

Boektitel

Er wordt wel gezegd dat het moeilijkste van een boek de beginzin is. Ik ben het daar niet mee eens. Het moeilijkste is de titel.

Een titel kan een boek maken of breken. Theun de Vries noemde in de jaren zestig een van zijn romans Moergrobben. Ik zou het hem afgeraden hebben en het verbaast me dan ook niets dat het boek herdrukt werd onder een andere titel: Het raadselrijk. Het gaat over de schilder Jeroen Bosch, maar bij Moergrobben denk je eerder aan een ellendig moeras in zo’n Drentse veenkolonie waar de arbeiders werden afgebeuld. Ze droegen er „het hart in haat, tien turven diep”, zoals Koos Schuur dichtte. Wie in de Moergrobben moest werken, was een gedoemd mens. Theun de Vries had er misschien wel een reuze boeiende roman over geschreven, maar je koos toch liever Turks fruit van Jan Wolkers – wat ’n titel!

Menig auteur piekert zich een obsessie over de titel van zijn volgende boek. Oek de Jong vertelde dat hij voor zijn laatste roman als eerste titel Pier en Oceaan bedacht, maar daarna aan het twijfelen sloeg. „Het maakte me wanhopig.” Tot zijn partner hem adviseerde het bij de eerste titel te houden.

Ook Gerard Reve tobde eindeloos met werktitels. Alternatieve titels voor zijn roman Het hijgend hert waren onder meer Het Kadetje en De Kazemat; je voelt de radeloosheid.

Dit zijn de mensen van het zware literaire werk, maar denk niet dat het voor de columnist anders ligt. Voor elke nieuwe columnbundel loop ik maanden met lijstjes rond waarop ik titels blij toevoeg of woedend wegstreep.

Midden in de nacht kan ik mijn vrouw aanstoten om haar te verblijden met de geboorte van een nieuwe titel. Ze doet dan één oog open en zegt alleen maar: „Saai”, „niks” of zelfs „belachelijk”. Nóóit: „Prachtig!”

Bij mijn jongste bundel nam mijn zoektocht zulke troosteloze vormen aan dat ik op zeker moment dacht: waarom noem ik het niet Boek zonder titel? Dat is oorspronkelijk en, vooral, eerlijk. Je geeft toe dat het je niet gelukt is en dat de lezer er zelf maar een moet bedenken. De beste kun je dan voor de volgende druk gebruiken – als die er ooit komt.

In een uitputtende titelstormsessie met mijn uitgever kwam ik ten slotte met: Een ijsbeer in de trein.

Het sloeg op een column over een man die met een ijsbeerpop de trein betreedt. Was dat geen leuke, frisse titel? Ik keek de kring rond en zag gezichten die een forse teleurstelling probeerden te verbergen. „Ik weet het niet…”, verbrak een redacteur de te lange stilte, „maar het lijkt me meer iets voor een jeugdboek.”

Daar zat ik met een dooie ijsbeer. Ik probeerde hem nog te reanimeren, maar iedereen begon te hoesten.

Ten slotte bedacht ik de titel Alles loopt altijd anders met op de cover een foto van Marilyn Monroe en Arthur Miller tegen een zinderende New Yorkse achtergrond. Een van mijn columns gaat over hen. Titel en foto: het leek me een spannende, nieuwsgierig makende combinatie. Zij kijken elkaar hier nog dolverliefd aan, maar hoe liep het met hen af? En loopt het in onze levens niet vaak anders dan we verwacht hadden?

Ik was opgetogen over mijn vondst. Hoe origineel! Het boek verscheen en ik liep nog altijd opgetogen over een gracht toen een kennis naar me riep: „Ik heb je boek net gezien. Weet je dat Brigitte Kaandorp al eerder een tekst met dezelfde titel heeft geschreven?”

Ik zweeg onthutst. Toch nog gefaald. Het was weer eens anders gelopen.