In 1817 was er ook al gedonder

Een nationale hymne ligt gevoelig. Ook zonder sociale media kan een koningslied mislukken, leert de geschiedenis.

Volgens Louis Grijp, liedhistoricus en onderzoeker aan het Meertens Instituut in Amsterdam, worden zelfgeschreven liederen al aan toekomstige vorsten opgedragen sinds 1813, toen koning Willem I aankwam op het strand van Scheveningen na jaren ballingschap in Engeland. „In hofkringen vond men het toen tijd voor een echt volkslied, een nationale hymne.” Er was al een volkslied, het Wilhelmus, maar dat vond men – toen al – afgesleten. De mensen kenden de woorden niet en zongen rare dingen mee.

Admiraal van Kinsbergen, een hoveling die de sympathie van Willem I had, schreef in 1817 een wedstrijd uit. Het lied met de titel Wien Neêrlandsch bloed in d’aders vloeit kwam als winnaar uit de bus. Grijp: „Voor vorst en vaderland, daar gaat het over, en dat is helemaal goed – voor de hogere klassen. Maar die gezwollen taal was natuurlijk apekool voor jan modaal. Dat lied sloeg niet aan, mensen vonden het veel te deftig.”

Het was te veel opgelegd, kwam te veel van bovenaf, zegt Grijp. „Van Kinsbergen leerde mensen het lied te zingen in het theater, voor aanvang van de voorstelling. Hij had ook nog bedacht om liederenblaadjes op de markt te brengen, om het lied te verspreiden onder het gewone volk. Maar dat werkte niet echt, het bleef te deftig.” Dus bleef het Wilhelmus bestaan, naast het nieuwe lied. „De melodie van het Wilhelmus was ook strijdlustig en opgewekt. Op trompetten gespeeld. Willem van Oranje was natuurlijk een figuur waar de hoop van een hele natie op gericht was.”

En daar is volgens Grijp wel „een parallelletje te trekken” met nu. „Ook de inhuldiging van Willem-Alexander leeft enorm. Zie alle YouTube-filmpjes met alternatieve koningsliederen. Joop van den Ende heeft als lid van het Nationaal Comité Inhuldiging goed aangevoeld dat er een lied moest komen, maar het is misschien verkeerd aangepakt. Net als in 1817 is er gekozen voor een vorm die niet aansluit bij de wensen van de mensen. Het is kennelijk toch te veel opgelegd.”

Maar is Ewbanks creatie – een coproductie met volkszangers Guus Meeuwis en Marco Borsato en inbreng van de bevolking bovendien – nu zoveel slechter dan De Toppers of stadionhouse, die nu vaak de Nederlandse hitlijsten domineert?

Grijp: „Het wordt geweldig professioneel aangepakt, met een gelikt filmpje en veel zangers. Maar er is misschien toch een gevoel dat het niet echt voortkomt uit de mensen zelf.”

Een jubellied namens het hele volk is misschien überhaupt te hoog gegrepen, denkt Grijp. „Dat een lied nationaal gedragen wordt is zeldzaam. Misschien is het beter om iets vanzelf te laten ontstaan.” Maar het blijft lastig, zegt Grijp. „Over het Wilhelmus was ook altijd gedonder.”