Thatcher in het liberale avondblad: altijd een gemengde pers gekregen

De ‘Iron Lady’ is begraven.Maar wat vond (en vindt) NRC Handelsblad nu van Margaret Thatcher, een hervormer die de meningen zelfs na haar dood zo blijft verdelen? Wat is haar erfenis?

Enkele lezers vroegen me, na mijn eerdere column over de standpunten van de krant in morele en maatschappelijke kwesties (naar aanleiding van het vonnis in de zaak-Martijn) hoe het nu gesteld is met het economische liberalisme in de commentaren. En Thatcher is daar een mooi ijkpunt voor.

Overigens, voor liberalen zijn moraal en economie geen compleet gescheiden domeinen; zij geloven dat vrij ondernemerschap, particulier initiatief en vrijhandel niet alleen handig of nuttig zijn, maar ook goed voor een samenleving.

De commentatoren die ik sprak vatten het zo voor me samen: de krant is voor vrijhandel, vrije loononderhandelingen en een flexibele arbeidsmarkt (versoepeling van het ontslagrecht), ziet de sociale zekerheid als een (ruimhartig) vangnet, is beducht voor een te grote rol van de staat in de economie, maar voorstander van streng toezicht op misbruik van marktmacht, voor fusies in het bedrijfsleven, maar tegen verdere samenklontering in de semipublieke sector, of halfslachtige pogingen tot privatisering.

Zoals het al in de Beginselen (1970) van de krant staat: ,,De economie [kan] niet zonder een uiterst verfijnd en daarom uitgebreid besturingsapparaat. Deze noodzaak te aanvaarden betekent echter niet haar tot ideaal te verheffen.’’

Mijn algemene indruk: de krant draagt zo een weinig ideologisch, mainstream liberalisme uit, dat geregeld eerder neigt naar sociaal dan naar klassiek liberalisme. Libertair, in de zin van radicale afwijzing van de staat (en vrijwel alle belastingen) is de krant in elk geval zeker niet.

Ik volg daarbij de indeling van Edwin van de Haar, die in zijn boek Bemind maar onbekend. De politieke filosofie van het liberalisme (2011) helder klassiek liberalisme, sociaal liberalisme (een grotere rol voor de staat) en libertarisme (verwant aan anarchisme) onderscheidt.

Er zijn natuurlijk accentverschillen, ook tussen het commentaar van de krant en de economische columnisten Maarten Schinkel, Menno Tamminga en Marike Stellinga.

Neem het commentaar over het sociaal akkoord. Dat was positief (Akkoord is op goede weg, 12 april). Stáp op de goede weg, neem ik aan (ook heel liberaal om de lezer zelf iets te laten invullen). Daarin werd ook, neutraal, vastgesteld hoe ,,opmerkelijk’’ het is dat de sociale partners weer de uitvoering van de sociale zekerheid op zich nemen.

Dat laatste was nu juist ,,de steen in mijn schoen’’ van columniste (en adjunct-hoofdredacteur) Stellinga: die sociale partners hadden daar in het verleden toch „een puinhoop’’ van gemaakt? Nog maar een dag na het commentaar trok ze deze conclusie: „De polder is terug, op de ergste manier denkbaar’’ (Primaat gaat van politiek naar polder, 13 april).

Ja, over de polder en de rol van vakbonden wordt onder liberalen verschillend gedacht. Dat roept om een nader standpunt dat u, als de commentatoren er tenminste uit gekomen zijn, vandaag kunt lezen.

Zo wisselt de liberale toon in de krant, die begin jaren negentig nog gold als „rechts’’ , maar in de Paarse jaren opschoof naar een meer „links-liberale’’ visie. Hoewel er na de ideologische herschikking van Pim Fortuyn ook lezers waren die de krant zagen als „extreem links’’.

En hoe bezag de krant Thatcher?

Met opmerkelijk veel scepsis, vanuit zowel een liberaal kosmopolitisme (toen nog: Europa) als vanuit de polder (de overlegeconomie). Bij haar aantreden in 1979 hoopt de krant dat zij „de macht van de vakbonden kan beperken zonder tot een regelrechte confrontatie te komen’’ (Thatcher, 4 mei 1979). Want: „Als zij werkelijk de economie wil hervormen, dan heeft zij de medewerking van de 11,5 miljoen vakbondsleden nodig.’’

Thatcher trok er zich, zoals bekend, weinig van aan.

Ook na haar overwinning op de vakbonden, pleitte de krant voor een „begin van nationale discussie’ om de „nog steeds formidabele problemen op te lossen.’’ (Onbehaaglijke overwinning, 12 juni 1987).

Een trendbreuk komt pas in 1990, onder de nieuwe hoofdredacteur Ben Knapen. In een breed, genuanceerd commentaar bij haar vertrek als premier (De ijzeren dame, 24 november 1990) is de waardering veel uitgesprokener, ook ideologischer. Zo stelt de krant nu: „De grootste verdienste van Thatcher is dat zij de vakbonden onschadelijk heeft gemaakt als economisch terreur-instrument’’. Dat is klare taal.

Kritiek is er ook, op de verdeeldheid die ze achter liet, de smalle economische basis van haar revolutie en het uitblijven van grotere „sociale rechtvaardigheid’’. Maar de diagnose van haar succes is veelzeggend: „Men had genoeg van de losbandigheid en de tolerantie van de jaren zestig en zeventig. Er was behoefte aan krachtige leiders.’’

Uit dat commentaar spreekt ook, misschien nog meer, een afkeer van die „losbandigheid’’ in eigen land.

Nu, twintig jaar later, maakt economisch columnist Menno Tamminga de balans een slag anders op: „Haar liberale erfenis van losse en kortstondige financiële contacten is met de kredietcrisis en de bankenreddingen in diskrediet gebracht. De jaren tachtig en de excessen daarvan staan nu in de beklaagdenbank.” (Geld met geld verdienen is verdacht geworden, 15 april)

Het is dus een komen en gaan van decennia, in de beklaagdenbank. Nu staan de jaren tachtig klaar voor het rietje. Geen wonder, journalistiek blijft een ruwe eerste schets van de geschiedenis.

Het commentaar bij Thatchers dood, ten slotte, was even genuanceerd maar minder uitgesproken dan dat stuk uit 1990. We lezen: „Ze polariseert haar land nog steeds’’ en: „Haar erfenis blijft betwist’’ (Thatchers erfenis, 9 april).

Weinig principieel misschien, maar wel heel journalistiek.

Sjoerd de Jong is ombudsman van NRC Handelsblad. Statuten www.nrc.nl/ombudsman. Reacties ombudsman@nrc.nl