Het lijkt er klef, het is er kil

Het bekende beeld is: kleffe boel daar in Den Haag, met journalisten en politici die bij elkaar op schoot zitten. In werkelijkheid heerst angst en argwaan op het Binnenhof. Voormalig politiek verslaggever Pieter van Os over de ‘verstikkende omhelzing’ van pers en politiek.

NOS-verslaggever Ferry Mingelen, premier Mark Rutte en voorlichter Stephan Schrover tijdens de schorsing van het debat over de Europese top van 7 en 8 februari.
NOS-verslaggever Ferry Mingelen, premier Mark Rutte en voorlichter Stephan Schrover tijdens de schorsing van het debat over de Europese top van 7 en 8 februari. Foto ANP, Martijn Beekman

In de jaren dat ik voor deze krant politiek verslaggever was, stond ik regelmatig op vrijdagmiddag in de hal van het ministerie van Algemene Zaken langs ‘het touwtje’, een begrip in Den Haag. Boven de grafkelders van de Graven van Holland wachtte de parlementaire perskaravaan tot de ministers uit de Trêveszaal druppelden.

Een voor een kwamen ze bij ons langs, om na de ministerraad met hun voorlichter naar een gereedstaande dienstauto te wandelen. Wij wilden ze naar die besloten vergadering vragen – en naar de kwesties van de dag. Tijdens de interviewtjes bleven zij aan één kant van het koord, wij aan de andere.

Bij dit wekelijkse ritueel vond ik het altijd weer fascinerend te zien hoe bewindspersonen de twintig meter overbrugden van vergaderzaal naar buitenlucht. De ene liep in een stevige pas naar de deur, wimpelde journalisten af, of gaf met zichtbare tegenzin enkele korte antwoorden. Een ander groette opgewekt, of keek ons verwachtingsvol aan: kom maar op met die vragen!

Soms hadden wij die blije praters niets te vragen, of waren de citaten van andere ministers die dag van groter belang. Dan walmde de teleurstelling er bij sommige bewindslieden af. Denkwolkje: „Echt geen vragen?”

Er waren ministers, zoals PvdA’er Ronald Plasterk, die een vaardigheid hadden ontwikkeld voor ‘sur place’, of de ‘moonwalk’: lopen zonder vooruit te komen. Plasterk kon eindeloos doen over dat korte stuk gang.

Dit wekelijkse Haagse ritueel biedt een mooi beeld van de relatie tussen pers en politiek. Wij verdrongen ons, ellebogen tegen elkaar. Zij lieten zien hoe ‘makkelijk’ of ‘moeilijk’ ze waren: hoe hoog hun prijs voor bruikbare informatie.

Deze veemarkt biedt een beter beeld van het ‘politiek-publicitair complex’ dan de bekende foto’s van journalisten en politici die pret met elkaar hebben in de wandelgangen van de Tweede Kamer of op de jaarlijkse barbecue, in de tuin van Nieuwspoort. De boodschap van die foto’s is duidelijk: het is een kleffe boel daar in Den Haag.

Dat beeld is populair, maar onjuist. In werkelijkheid willen journalisten vooral klef zijn met kijkers en lezers, niet met politici, al was het maar omdat er te weinig politici zijn om gewenste kijk- en oplagecijfers te realiseren. En lezers en kijkers blijken ervan te houden als politici op hun nummer worden gezet.

Natuurlijk, op het eerste gezicht lijkt het een kleffe boel in Den Haag. Journalisten en politici doen in wandelgangen vreselijk vriendelijk tegen elkaar. De reden daarvoor is helder: politicus bezit geheime of nog niet openbare informatie (primeurs!), journalist kan voor zichtbaarheid van de politicus zorgen. Maar onder al die vriendelijkheid, zo ontdekte ik snel op het Binnenhof, schuilt angst en argwaan. Want wie garandeert dat een politicus jou het primeurtje gunt? Hij kan het evengoed aan de concurrent geven, een tafeltje verderop. Hij heeft het voor het kiezen. Op zijn beurt, voelt de permanente angst dat jij, journalist, zijn reputatie in één alinea de nek omdraait. Dat kan. En het gebeurt. Het Binnenhof is een plek vol geveinsde liefde en onderdrukte haat. Het lijkt er klef, het is er kil.

Ook wetenschappers hebben dit wantrouwen gevonden. Toen politicoloog Kees Brants aan politici vroeg wat ze van journalisten vinden, anonimiteit gegarandeerd, zeiden ze: hitserig, hijgerig en rellerig. Zo’n beetje het beeld dat journalisten ook graag schetsen van politici. Minder dan de helft geloofde dat parlementaire journalisten „onafhankelijk” zijn, of onpartijdig. En maar liefst 37 procent meent dat journalisten worden gedreven door het verlangen zelf macht uit te oefenen.

Dat die politici toch poeslief tegen ons journalisten doen, heeft ondermeer met onze bereikbaarheid te maken. Columnisten en commentatoren zijn onbereikbaar. Elsbeth Etty schreef in deze krant dat politici van de ChristenUnie „fanatici” zijn. Alle ChristenUnie-Kamerleden wilden dat beeld weerspreken, maar Etty komen ze niet dagelijks tegen. En dus storten ze zich op de Haagse verslaggevers.

Arnon Grunberg schreef ooit op de voorpagina van de Volkskrant: „De volksvertegenwoordiger: weet niets en kan niets. De Tweede Kamer: banenproject voor werklozen.” Politici kunnen de beste schrijver van Nederland niet gunstig stemmen, ons misschien wel, mensen met wie ze een relatie hebben, al is het een moeilijk. „Van jou had ik dat niet verwacht”, hoorde ik in Den Haag regelmatig. Kamerlid John Leerdam (PvdA) vloog me zelfs eens aan, handen om mijn nek, terwijl hij tot drie keer toe zei: „Jij maakt jezelf belachelijk jongen, echt waar!” Dat kun je bij een columnist niet doen, of je moet hem thuis gaan opzoeken.

Ik herinner me een voorstel van een nieuwe collega: „Kunnen we niet over die lui schrijven zonder met ze om te gaan?” Zijn wens was in lijn met wat Martin van Amerongen in 1966 optekende uit de mond van NRC-verslaggever André Luyendijk. Die wees naar de politici op een PvdA-congres en zei: „Met die kerels praat je toch niet, hè. Daar schrijf je tegen.”

Dat is natuurlijk onzin: de lezer zou het ons niet in dank afnemen. Zij willen weten, om maar één voorbeeld te noemen, hoe het overleg deze week tussen PvdA en VVD verliep toen ze besloten om staatssecretaris Fred Teeven niet naar huis te sturen. Zoiets achterhaal je niet door met een wasknijper op je neus over het Binnenhof te lopen.

Net als de politiek, is journalistiek in de aard een modderig beroep. Tegenwoordig hoor je vaak de gedachte: dat jullie dealtjes sluiten en trucs uithalen is allemaal goed en wel, maar vertel daar in ieder geval zo eerlijk mogelijk over; laat het zien in je artikel.

Toch is het maar de vraag of lezers die eerlijkheid echt willen. Een flauw, maar volgens mij toch overtuigend voorbeeld leverde journalist Kustaw Bessems toen hij voor dagblad De Pers de toenmalige minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin interviewde. Hij tutoyeerde de man, een interview lang. Dat is eerlijk, want er is nauwelijks een politicus die zich door een Haagse journalist laat vousvoyeren. Maar lezers vonden het vreselijk, merkte ik in mijn omgeving. Moest die Bessems nu zo duidelijk laten zien dat hij op je- en jou-verhouding staat met Hirsch Ballin? Ook bij mij thuis was het oordeel: „Aansteller”.

Maar Bessems was wél eerlijk. Ik was dat bij interviews nooit. Bij het uitwerken van de geluidsband veranderde ik altijd alle je-en en jou-en in u-en.

Op bijeenkomsten in De Balie vragen mensen regelmatig om ‘full disclosure’, totale eerlijkheid. Daar kunnen journalisten dat zonder problemen leveren: de zaal zit toch wel vol. Net als zondagmiddag, bij het debat over ‘de verstikkende omhelzing van media en politiek’.

Maar om lezers te binden, moeten journalisten niet altijd naar hun verlangens luisteren. Gedrag van lezers is immers anders dan hun uitspraken. Neem de collectieve verontwaardiging die ontstond toen bleek dat Britse tabloids hun informatie verkrijgen door af te luisteren. Eerder hadden diezelfde mensen met rode oortjes vernomen wat prins Charles allemaal aan zijn toen-nog-minnares Camille Parker Bowles had gelispeld over de telefoon: hij wilde in een volgend leven terugkeren als haar tampon. Ook in Nederland namen alle kranten dit smeuïge nieuwtje over. Wat hadden lezers eigenlijk verwacht? Dat teksten als deze dankzij keurige nieuwsgaring waren verkregen, met drie onafhankelijke bronnen, hoor- en wederhoor?

Yeah, right. De Amerikaanse journaliste Janet Malcolm opent het prachtige boek The Journalist and the Murderer (1990) met de zin: „Iedere journalist die niet te stom is, of vol van zichzelf, om te zien wat er gaande is, weet dat wat hij doet, moreel onverdedigbaar is”. In de rest van het boek maakt ze die stelling aannemelijk.

Morally indefensible’ klinkt anders dan ‘waakhond der democratie’. Zo vraagt een waakhond zich niet af wat zijn publiek voor soort blaf wil horen. Wij wel.

Waken en vermaken, het is een lastige opdracht. En tegelijk een die garant staat voor honderden middagen discussie in debatcentra als De Balie. En dat is maar goed ook: want waakhonden zijn afgericht, terwijl journalisten niet zonder zelfreflectie en introspectie kunnen.

Pieter van Os was politiek verslaggever van deze krant van september 2008 tot februari 2012. In juni verschijnt zijn boek We begrijpen elkaar uitstekend. De permanente wurggreep van pers en politiek. Uitgeverij Bert Bakker

Mediacircus Democratie. De verstikkende omhelzing van politiek en media. Debat met o.m. Jeroen Pauw, Kustaw Bessems, Ronald Plasterk, Femke Halsema, geleid door Eelco Bosch van Rosenthal.De Balie Amsterdam, zo 21 april, 15.00 uur.