Gaan voor het allerhoogste

Publiceren

Hoe krijgt dat selecte groepje vooraanstaande wetenschappers het toch telkens weer voor elkaar te publiceren in toptijdschriften? In zes stappen naar de top.

Een plek veroveren in het Britse Nature en het Amerikaanse Science, dat is vaak de kers op de taart in de carrière van een onderzoeker. Maar er zijn ook onderzoekers die erin slagen keer op keer te publiceren in deze toonaangevende multidisciplinaire wetenschapsbladen. Wat is het geheim van deze seriële topauteurs?

1

Doe origineel onderzoek

Paleobioloog Henk Brinkhuis, die gisteren weer een publicatie had in Science: “Om in een toptijdschrift te komen moet het onderzoek vernieuwend zijn. Liefst uitgevoerd op plaatsen waar zelden mensen komen. Voor ons zijn dat de Noord- en Zuidpool. En het onderzoek moet een breed publiek aanspreken – ook de beter uitgeruste kiosk verkoopt deze blaadjes.

“Acht jaar geleden hebben we tijdens een expeditie naar de Noordpool vastgesteld dat het daar 50 miljoen jaar geleden subtropisch was onder invloed van wereldwijde superhoge CO2-concentraties. We vonden fossiele sporen van palmbomen. Een tropische fruittuin. Die expeditie leverde ons in 2006 een batterij aan publicaties op in Nature. Klimaatopwarming staat erg in de belangstelling. Het artikel van gisteren in Science komt voort uit onze expeditie naar de Zuidpool.”

Kankeronderzoeker Hans Clevers: “Je moet je als wetenschapper op terra incognita begeven. Een veld kiezen waarin nog veel te ontdekken valt. Wij werkten een tijd lang aan witte bloedcellen, een erg vol veld. Gaandeweg stuitten we echter op de darm, waar geen mens aan werkte. Het bleek ideaal voor onderzoek aan stamcellen en kanker.

“Overigens laten redacteuren van de tijdschriften zich een beetje sturen door hypes. Het gaat bij hen altijd om het halen van een hoge impactfactor. Het echte out-of-the-box-onderzoek komt niet in Nature of Science. Dat wordt langdurig afgewezen. ”

Chemicus Ben Feringa: “Soms ben je inderdaad te vroeg met een vinding. Dan durven de redacteuren het niet aan. Toch willen ze alleen originele ideeën, unieke experimenten, of inzichten die elders nog niet zijn gepubliceerd. Een paar jaar geleden vroegen we ons af: kun je een molecuul autonoom en gecontroleerd over een oppervlak laten bewegen nadat je er energie in hebt gestopt? Dat was nog niemand gelukt, omdat de beweging al gauw ongecontroleerd is. We hadden eerder al een moleculaire motor gemaakt, dat was niet meer vernieuwend. Toen kwam het idee op van een nano-auto. Een soort 4-wheel-drive. We dachten, als vier motortjes samenwerken kunnen we het geheel wellicht laten bewegen. We hebben er vervolgens tweeënhalf jaar aan gewerkt met meerdere mensen, om de 4-wheel-drive te maken, om de onderdelen te testen. Het waren allemaal goed geplande proeven. Al met al hebben we meer dan duizend metingen verricht om onomstotelijk aan te tonen dat het autootje zich kon bewegen over een oppervlak.”

Hans Clevers: “Wij werken juist heel weinig met uitgewerkte hypothesen. We beginnen een onderzoek met diffuse vragen.”

Henk Brinkhuis. “Bij ons liggen alle onderzoeksactiviteiten voor op het boorschip van tevoren eigenlijk al vast. Daar richten we de expeditie op in. Op basis daarvan haal je sommige apparatuur wel aan boord, en andere niet.”

2

Onderhoud goede contacten met de bladen

Hans Clevers: “Ik review vrij veel voor Nature, ik ben er dus zowel referent als auteur. Ook ben ik redactielid van een aantal tijdschriften. Maar dat maakt niet dat ik een streepje voor heb bij de redactie van Nature. Onze papers worden net zo hard afgewezen. Maar als je artikelen in het verleden stand hebben gehouden in het reviewproces, ga je natuurlijk wel makkelijker in discussie over een afwijzing.”

Geoloog Jan Smit: “Bij mijn laatste Science-artikel van februari dit jaar, sta ik als co-auteur vermeld omdat ik het veldonderzoek grotendeels heb uitgevoerd. Dat Science het oppikte heeft mij verbaasd, maar dat is puur te danken aan de ingangen die de Amerikaanse onderzoekers kenden. Ik heb de hele correspondentie kunnen volgen en zij hebben direct onderhandeld met de redacteuren van Science. Daar kom je als Nederlandse Piet Snot niet tussen.”

Henk Brinkhuis: “Wij hadden vanaf de Zuidpool, anderhalf jaar geleden, al contact met mensen van Nature. We leggen bevindingen voor en vragen of ze er in geïnteresseerd zijn. Dat is overigens een garantie tot aan het tuinhek. Nature heeft het artikel uiteindelijk niet genomen. Vervolgens zijn we naar Science gegaan.”

Ecoloog Marten Scheffer: “Je hoort wel eens dat wetenschappers en tijdschriftredacteuren elkaar opzoeken tijdens congressen en zo. Ik doe dat niet. Ik vind het onbehoorlijk om te gaan duwen. De wetenschap moet voor zich spreken.”

Ben Feringa: “De redacteuren zijn de lastigste barrière, maar eerst contact met ze opnemen doe ik niet.”

3

Formuleer je manuscript krachtig en helder

Hans Clevers: “Het goed opschrijven van een Nature-artikel is een kunst op zich. Het meeste werk gaat zitten in de titel. Dat is een soort Haiku, met een verplichte maximale lengte van 102 leestekens. De titel moet alle keywords bevatten en moet ook in mensen hun hoofd blijven hangen. Daarnaast moet de samenvatting heel goed zijn; in 150 woorden moet je haast ritueel opnoemen wat je hebt gevonden. Elk woord moet raak zijn.”

Henk Brinkhuis: “We hadden voor de Science-publicatie van gisteren als titel bedacht: Dawn of modern Antarctic ecosystems. Te prozaïsch, vond de redacteur.” Nu heet het Reorganization of Southern Ocean Plankton Ecosystem at the Onset of Antarctic Glaciation.

Jan Smit: “Het is belangrijk een niet al te voorzichtige toon te hanteren. Met je manuscript moet je eerst de redacteuren van het tijdschrift weten te overtuigen en die zijn niet altijd even kundig. Als je het aantrekkelijk maakt, met niet te veel vaktaal, vergroot je je kansen. Daarbij mag je wel een beetje speculeren, maar het moet natuurlijk wel redelijk blijven. Het is een subtiele balans.”

Marten Scheffer: “Bij het manuscript dien je een begeleidende brief in. Die moet superhelder zijn, maar niet overdreven. Je moet de redacteuren serieus nemen. De titel van het artikel is ontzettend belangrijk. Je moet het scherp, en voor een breed publiek, neerzetten. Beknopt ook, alle franje eraf halen. Maar het moet ook weer niet te simpel, anders vallen de referenten erover. Het is een sport. Alle grote papers hebben één ding gemeen: je snapt het meteen.”

4

Sta open voor onverwachte resultaten

Hans Clevers: “In het Hubrecht Instituut is het afbreukrisico van onderzoeken groot: driekwart van de projecten moet worden gestopt omdat er niets uitkomt. Achteraf leest een artikel als een logisch verhaal: we gaan een stamcel daar ontdekken en we hebben hem inderdaad gevonden. Maar het is geconstrueerd, in werkelijkheid verliep de volgorde van experimenten heel anders, maar als je dat letterlijk opschrijft vinden editors het te verwarrend. En ze willen al helemaal niet lezen over proeven die niet lukken.

“Soms jagen we een buitengewoon geloofwaardige hypothese na, die uiteindelijk niet blijkt te kloppen. Dan denk je: dit had toch moeten werken? Dan is het veel makkelijker om er nog een proef tegenaan te gooien, dan om te besluiten om te stoppen, zeker als je er al driekwart jaar aan gewerkt hebt. Maar als je toponderzoek wilt blijven doen is tijdig stoppen een heel belangrijk besluit.

“Voor promovendi of postdocs kan dat wel eens moeilijk zijn, als blijkt dat ze ergens twee jaar aan gewerkt hebben en het levert niets op. Daarom zorgen we ook altijd voor zogeheten brood- en boterprojecten, waardoor ze niet met lege handen achterblijven.”

Henk Brinkhuis: “De meeste van onze hypotheses gaan uit van de verwachte geologie van een gebied, maar die verwachting blijkt vaak onjuist. Je leert scherp te zijn voor onverwachte resultaten. Verder moet je je niet te snel uit het veld laten slaan door tegenslagen. De expeditie naar de Noordpool was technisch gezien een puinhoop. De Britten hadden eigen materiaal meegenomen, allemaal net gemaakt en niet getest. Boorkoppen en buizen braken af, het was een ramp. De pijpen die je de grond in stak om bodemmonsters te nemen, kwamen leeg naar boven. Er zat niks in, alleen wat gruis. Maar net bij de bodemlaag waarin wij geïnteresseerd waren, ging het goed. Die technische mislukkingen laat je weg in je uiteindelijke artikelen. Deze expeditie geldt nu als de meest succesvolle missie van het Integrated Ocean Drilling Program ooit.”

Jan Smit: “Mijn publicatie in 1980 in Nature was mijn coming-out paper. Ik was nog aan het promoveren, groen als gras.” Op aandringen van anderen stuurde hij zijn onderzoek naar Nature. Bij Science lag toen al een stuk van Walter Alvarez over de scherpe grens tussen Krijt en Tertiair. “Kennelijk hadden ze daar bij Nature lucht van gekregen, want mijn inzending werd vervroegd in het blad gezet. Het manuscript dat ik in februari had ingezonden stond twee maanden later al in Nature. Alvarez kwam tien dagen later in Science.”

5

Speel handig in op de referenten

Hans Clevers: “Het peer review proces is een strategisch spel. Wij vragen ons af: zetten we alles wat we hebben gevonden al meteen in het manuscript? Hier speelt ervaring een rol. Soms kunnen we al raden waarover vragen zullen komen, en dan doen we alvast een extra experiment terwijl het artikel bij de referenten ligt. Zo kunnen we in de overdrive reageren op het commentaar van de referenten, want zodra zij het onder ogen hebben gehad, ligt de kennis op straat.

“Soms lijkt het erop dat een referent erop uit is zoveel mogelijk werk te creëren voor zijn concurrent. Het veroorzaakt vertraging, waardoor het risico toeneemt dat je gescoopt wordt. Hoewel een paper soms heel veel verbetert door extra werk, zie ik dit ook vaak als een verspilling van geld en tijd. In de wetenschap kun je altijd een vervolgvraag stellen.”

Ben Feringa: “Met de referenten kom ik er meestal wel uit. Ik heb slechts één keer meegemaakt dat het artikel in die fase nog struikelde, terwijl de redactie het al had goedgekeurd. Ik denk dat ik te veel in het vaarwater van een van de referenten heb gezeten. En als eentje het niet ziet zitten, kan het afketsen.”

Hans Clevers: “Vaak zie je dat mensen boos worden als hun stuk door ijskoude kritiek wordt afgewezen; ze hebben immers hun hele ziel en zaligheid erin gelegd. Ik vind dat zelf ook nog altijd moeilijk. Ik kijk daarom nooit meteen naar de commentaren als ze binnenkomen. Psychologisch is dat geen moment dat simpel is. Je legt immers je hoofd op het hakblok en de anonieme referent mag toeslaan.”

6

Zorg dat je erbij komt

Hans Clevers: “Als je door pech of gewoon uit onwetendheid als beginnend onderzoeker gaat werken bij een lab dat nog nooit dit soort papers geschreven heeft, dan verminderen je kansen op deze diamantjes op je cv. En dat is niet onbelangrijk: voor mensen die vroeg in hun carrière in een toptijdschrift staan werkt het als een multiplicator: ze krijgen eerder subsidies en hebben meer kans bij sollicitaties.”

Marten Scheffer: “Met mijn eerste publicatie in Nature had ik veel geluk. Ik had voor Trends in Ecology & Evolution een overzichtsartikel geschreven over tipping points, plotselinge omslagen in koraalriffen, bossen, meren. Ik vroeg een paar mensen het na te lezen. Eentje raadde me aan het aan Nature aan te bieden. Die hebben het met wat kleine aanpassingen genomen. Het is een veel geciteerd artikel geworden. Vervolgens merk je dat het makkelijker wordt om in andere bladen te publiceren.”

Jan Smit: “Bij toptijdschriften als Nature en Science speelt het ‘high visibility’-gedoe een grote rol. Dat was zeker niet mijn doel. Het was ook niet de stijl waarin we destijds in Nederland aan de universiteiten werkten, ik was gewoon lekker onderzoek aan het doen en helemaal niet bezig met de publiciteit te zoeken. Dat is tegenwoordig wel anders, het is haast noodzaak geworden te scoren. Ik vind het geen goede ontwikkeling. De kwaliteit staat niet voorop bij deze toptijdschriften, het is vooral gericht op de nieuwswaarde.”