Hulprepubliek Haïti

Vrijwel simultaan verschenen er twee uitstekende journalistieke boeken over de patstelling hulp in Haïti. Hoe lang blijft noodhulp helpen?

People wait in line to receive water on January 20, 2010 in Port-au-Prince. A powerful aftershock that rattled Haiti on Wednesday may diminish remaining hopes for people buried by rubble in the massive January 12 temblor, experts said. Any survivors who had held out for eight days in air pockets now risked being crushed by masonry dislodged by Wednesday's 6.0 quake, they said. "For some, it will be the final blow," was the grim assessment of Philippe Dabadie, a resuscitation specialist and professor of disaster medicine at Pellegrin Hospital in Bordeaux, southwestern France. AFP PHOTO / Thony BELIZAIRE
People wait in line to receive water on January 20, 2010 in Port-au-Prince. A powerful aftershock that rattled Haiti on Wednesday may diminish remaining hopes for people buried by rubble in the massive January 12 temblor, experts said. Any survivors who had held out for eight days in air pockets now risked being crushed by masonry dislodged by Wednesday's 6.0 quake, they said. "For some, it will be the final blow," was the grim assessment of Philippe Dabadie, a resuscitation specialist and professor of disaster medicine at Pellegrin Hospital in Bordeaux, southwestern France. AFP PHOTO / Thony BELIZAIRE AFP

Anderhalf jaar vóór de aardbeving van 2010 bezweken muren en plafonds van het schooltje La Promesse in Port-au-Prince op Haïti. Tijdens de les. De constructie deugde niet. Het probleem in Haïti is niet dat er geen bouwvoorschriften bestaan, schrijft de Amerikaanse journalist Jonathan Katz in zijn boek The Big Truck That Went By. Het probleem is dat het Haïti’s overheid ontbreekt aan capaciteit om de naleving van voorschriften te controleren.

Haïti is een voorbeeld van wat wel ‘ngo-republieken’ worden genoemd, landen waar niet de wettige regering, maar buitenlandse hulpdonoren en non-gouvernementele hulporganisaties de macht en de middelen in handen hebben. In VN-jargon heten ze ‘ldc’s’, least developed countries. De wereld telt er 49. Van al deze landen lopen in Haïti misschien wel de meeste hulpverleners en missionarissen per vierkante meter rond – het aantal ngo’s wordt er geschat op meer dan 10.000. Toezien op (veiligheids)regels of wetten behoort evenwel niet tot hun goede bedoelingen, de Haïtiaanse overheid uitrusten om dat zélf te kunnen doen, evenmin.

Haïti’s president destijds, René Préval, kwam wel kijken bij de wolkende puinhoop die over was van La Promesse, maar behalve zijn medeleven had hij de ouders niets te bieden. Drie dagen lang probeerden die met blote handen hun kinderen uit te graven. Toen de buitenlandse hulp arriveerde – het Amerikaanse USAID vloog brandweerlieden in helemaal vanuit Fairfax, in Virginia, en de Franse regering stuurde een brandweerteam uit Martinique met honden en fluorescerende helmen – waren honderd kinderen al dood.

Net als Katz ging ook een andere Amerikaanse journalist, Amy Wilentz, op zoek naar antwoorden op de vraag hoe het mogelijk was dat een aardbeving van ‘slechts’ 7.0 op de Schaal van Richter de meest vernietigende natuurramp op het westelijke halfrond ooit kon worden. Haar boek, Farewell Fred Voodoo, verscheen vrijwel gelijktijdig met dat van Katz.

‘Fred Voodoo’ is Haïti’s Jan met de pet, de man of vrouw van de straat. Wilentz maakt ze al een kwart eeuw mee, zo lang bezoekt en beschrijft ze het land al. Ze publiceerde onder meer De regentijd (1989), over Haïti’s geschiedenis sinds de val van Jean-Claude ‘Baby Doc’ Duvalier in 1986.

Katz werkte tweeënhalf jaar op Haïti, toen op 12 januari 2010 ook hij door de aardbeving werd getroffen. Zijn buurt stortte in, maar hij bleef nog een jaar om voor Associated Press de hulpoperatie te verslaan.

Beide journalisten concluderen dat een versterking van bestuur de prioriteit moet zijn van buitenlandse hulp, want zonder functionerende regering wordt een stuk grond met mensen erop nooit een land. Bepaald geen hogere wiskunde dus, ook niet voor bijkans álle onafhankelijke denktanks, onderzoeksinstituten en analisten van ontwikkelingssamenwerking die er te vinden zijn. Toch storten internationale hulpdonoren, ook Nederland, sinds jaar en dag stoïcijns de bulk van al hun hulpfondsen voor Haïti en de andere ldc’s op de bankrekeningen van buitenlandse organisaties. Die creëerden er allengs parallelle staten mee, die eindeloos veel rijker en machtiger zijn dan de wettige regeringen van de ldc’s, maar geen verantwoordelijkheid nemen voor de ontwikkeling van het landsbestuur.

Ook in Haïti houdt de hulpgemeenschap haar geld zorgvuldig bij de Haïtiaanse regering en lokale organisaties weg. ‘De regering wordt gezien als obsessief corrupt en Haïtiaanse organisaties en het volk als… leugens verkopende, manipulatieve, incompetente, malle, achterlijke, in de weg lopende kinderen’, schrijft Wilentz. Niets kun je aan ‘Fred Voodoo’ en zijn maten overlaten, hoor je de hulpgemeenschap klagen.

Hulponderzoekers berekenden dat na de aardbeving slechts 1 procent van alle voor Haïti ingezamelde noodhulpfondsen en ongeveer 10 procent van alle buitenlandse fondsen voor wederopbouw (in totaal ruim 5 miljard dollar voor de eerste twee jaar na de ramp) via Haïti’s publieke sector is besteed. Waar de internationale ngo’s, zoals de Wereldbank, de VN en de Inter-American Development Bank en de westerse bouw- en consultancybedrijven de rest aan besteedden is goeddeels in nevelen gehuld. Want veel resultaten zijn er niet en de machtige ngo-republiek is slechts aan zichzelf verantwoording schuldig.

In 1954, na de verwoestende orkaan Hazel, betraden buitenlandse hulporganisaties het Haïtiaanse toneel voor het eerst. Ze waren er snel achter dat de noodtoestand in Haïti, door ziekte, ondervoeding, analfabetisme en slecht bestuur, permanent was. Noodhulp werd langdurige ontwikkelingshulp die – ondanks de relatieve bescheidenheid van de bedragen – altijd van doorslaggevend politiek belang is geweest in een land met heel weinig andere inkomsten. Hulp hielp de krankzinnige dictator dr. François ‘Papa Doc’ Duvalier van 1957 tot aan zijn dood in 1971 in het zadel te blijven. Zijn zoon en opvolger Jean-Claude ‘Baby Doc’ Duvalier verwelkomde, in ruil voor extra hulpinkomsten, Amerikaanse fabrikanten van sportartikelen, speelgoed en kleding die kwamen profiteren van Haïti’s surrealistisch lage lonen en gaf ze toestemming om hun winsten belastingvrij te exporteren. Jean-Claude’s opvolger, generaal Henri Namphy, opende tegen betaling van hogere hulpbedragen in 1987 de sluizen voor gesubsidieerde Amerikaanse rijst, waardoor de Haïtiaanse landbouwsector om zeep werd geholpen en Haïti definitief tot speelbal van buitenlandse (voedsel)hulpverleners werd.

Wie door Haïti reist, ziet aan het woud van reclameborden met logo’s van hulporganisaties dat honderdduizenden buitenlandse hulpverleners dingen aan het doen zijn die eigenlijk door Haïtianen zelf gedaan zouden moeten worden. Ngo’s domineren al decennialang Haïti’s gezondheidszorg, onderwijs, welzijn, voedsel- en watervoorziening. Deskundig hoef je niet te zijn en geautoriseerd evenmin: in ngo-republiek Haïti krijgt de eerste de beste aangewaaide Hollywoodster voor elkaar wat een Haïtiaanse president nog niet lukt als hij op zijn hoofd gaat staan, signaleert Katz. Sean Penn richtte zijn eigen ngo op voor hulp aan een in tenten gestrande groep aardbevingsslachtoffers. ‘Met een paar telefoontjes had hij voor elkaar dat het Amerikaanse Rode Kruis, de WHO, USAID, het US Center for Disease Control and Prevention en de Amerikaanse legertop over elkaar heen buitelden om één 15-jarig difterieslachtoffer medicijnen te mogen brengen’, schrijft Katz. Niet Haïtiaanse politici of medische deskundigen, maar Sean Penn werd daarna naar Washington genodigd om een senaatscommissie te vertellen wat Haïti’s medische prioriteiten zijn.

Volgens Katz en Wilentz is ook de internationale journalistiek debet aan het westerse beeld van een ‘Fred Voodoo’ die zichzelf niet kan besturen. De journalistieke ‘analyse’ van de toestand druipt volgens Wilentz van neerbuigendheid, medelijden en sensatiezucht: ‘Je kunt er [als journalist] van opaan dat Haïtianen de camera een brede fotogenieke glimlach toewerpen als ze een week na de aardbeving uit het puin worden getrokken. Je kunt erop rekenen dat ze zich halfnaakt wassen in een mist van waterdruppels die sprankelt in de ondergaande zon, met op de achtergrond de rook van smeulend vuilnis en pittoresk doorzichtige tentdoeken… Dat Fred Voodoo bovendien welbespraakt en hoogst citeerbaar is … maakt hem uitmuntend materiaal voor beeld en tekst.’

Katz spaart zijn eigen werkgever niet. De winnaar van de eerste verkiezingen na de aardbeving zou staatshoofd worden van een land waar westerse donoren miljarden dollars heen stuurden. Maar Associated Press had nul belangstelling voor het verkiezingsverhaal. ‘Het was ze allemaal veel te lokaal en voor de lezers niet simpel genoeg.’

Een heldhaftige Amerikaanse hulparts kreeg juist álle ruimte – om flauwekul te verkopen. Wilentz fileert de Amerikaanse chirurg Mark Hyman die furore maakte als blogger voor de Huffington Post. Hyman was na de aardbeving een van de eerste Amerikaanse artsen ter plaatse. Hij schreef over de omstandigheden waaronder hij had moeten werken: ‘Niets anders voorhanden voor amputaties dan een roestige handzaag en een fles wodka om die te steriliseren, maar wel een satphone of iPhone bij je hebben om te bloggen voor de Huffington Post’, sneert Wilentz.

In 2014 is het 60 jaar geleden dat de eerste hulpkaravaan Haïti binnentrok. Nog steeds bungelt Haïti, dat op slechts 1 uur en 55 minuten vliegen van Miami ligt, onderaan alle armoede-indexen. Katz, een consciëntieus nieuwsreporter, en Wilentz, meer de literaire reisschrijfster, schreven ieder een fraai en zeer betrokken boek, waarin ze op eigen wijze laten zien waarom de paar honderd doden die statistisch gezien mogen worden verwacht na een aardbeving van 7.0, er in Haïti vele tienduizenden werden; sommige schattingen gaan zelfs tot 230.000 slachtoffers. Sterke gebouwen moeten een aardbeving van 7.0 kunnen weerstaan. In stuurloos Haiti stond 60 procent van alle gebouwen vóór de aardbeving al op instorten. Zonder capabele leiders en een roer blijven buitenlandse hulpverleners eeuwig pleisters op gutsende wonden plakken.

‘De kans om een ramp in Haiti te overleven, hangt af van familiestatus, nationaliteit en ras’, schrijft Katz. ‘Voor de miljoenen [arme, zwarte] Haïtianen die zich alleen maar kunnen permitteren om hun onderkomen te bouwen op een kruimelige bergwand boven een ravijn, kan zelfs een zware regenbui al dodelijk aflopen.’

Journalist Linda Polman publiceerde in 2008 De Crisiskaravaan, Achter de schermen van de hulpindustrie. Zij komt zelf sinds 1991 regelmatig op Haïti.