Vlinders zijn hier de baas

Debuten zijn nodig om de boekenwereld draaiende te houden. Wanneer er niet regelmatig nieuwe schrijvers opstaan, zal dat wat in de boekenkast staat verstoffen en de literatuur verstarren. Zo vrees ik soms voor het lot van het Nederlandstalige fantasieverhaal in de traditie van Tonke Dragt en Paul Biegel: de klassieke vertellingen vol tover, avontuur en spanning, voortgestuwd door onderhuidse verlangens naar levensgeluk.

Isabel Hoving, Marco Kunst en Jef Aerts ondernamen de afgelopen jaren oprecht, met wisselend succes, verschillende pogingen. Maar om het genre echt te laten bloeien zouden het er meer mogen zijn, ook al is het moeilijk om wat misschien wel de oudste en meest universele verhaalvorm is steeds weer nieuw leven in te blazen.

Daarom is het jammer dat de Belg Peter Van Olmen ons vier jaar heeft laten wachten op een vervolg op De Kleine Odessa: Het levende boek, zijn sprankelende debuut over de queeste van de jonge dichteres Odessa (12). In de verborgen boekenstad Scribopolis hoopt Odessa haar onbekende vader te vinden en moet daartoe met behulp van literaire grootheden als Dostojevski en Melville letterlijk dwars door de wereldliteratuur reizen.

Dubbel jammer is dat het Van Olmen niet lukt het hoge niveau waarmee hij in 2009 verraste vast te houden, ondanks de ambitie en liefde die Van Olmen overduidelijk in Het geheim van Lode A. heeft gestoken. Zijn eruditie en de vele intertekstuele verwijzingen en knipogen naar de boekenwereld staan in zijn nieuwe boek helaas niet langer ten dienste van Odessa’s avontuurlijke zoektocht naar de betekenis van het leven en de literatuur, zoals in zijn debuut, maar vervliegen in een breed uitwaaierend verhaal.

Zeker, het is grappig om twijfelaar Hamlet ‘een zak vol woorden’ te noemen. En ja, het siert Van Olmen dat hij zijn vertelkunst relativeert door zichzelf als inwoner van Scribopolis licht spottend te karakteriseren als te ambitieus en ‘vol idolatrie voor het grote schrijverschap dat hij zelf nooit zal bereiken’. Maar met een fantasieverhaal dat als los zand aan elkaar hangt doordat een onderliggende filosofie en verbindende thematiek ontbreken, voed je het genre niet. Kennelijk is het moeilijk na een onverwacht goed debuut je verbeelding opnieuw voorbij de horizon te laten reiken en afscheid te nemen van wat bekend en dierbaar is.

Te hopen valt dat nieuwkomer Ellen van Velzen (1983) die valkuil te zijner tijd weet te vermijden. Haar debuut Jonge Vlieger houdt in ieder geval een belofte in van pure verbeeldingskracht die geworteld lijkt in een besef dat ‘de wereld om ons heen een heel stuk groter is dan ieder van ons zich ook maar kan voorstellen’. Een inzicht dat vast voortvloeit uit het feit dat Van Velzen evolutiebiologe is en ongetwijfeld wordt gedreven door grenzeloze nieuwsgierigheid en onderzoeksdrang.

In Jonge Vlieger voert haar verbeelding je mee naar een verafgelegen dorp, een stille plaats die, omringd door velden en een duister woud, ligt ingeklemd tussen hoge bergmassieven. Boven het dorp hangen honderden vliegers, die als ‘rode, witte, blauwe en groene’ vlinders de lucht bespikkelen en kunstig omhoog worden gehouden door twee zonderlinge kluizenaars, Ouwe en Nieuwe Vlieger.

Zij beweren dat de vliegers kwade geesten op afstand houden. Maar de dorpelingen geloven niet wat de mannen vertellen. Zijn het niet slechts oude verhalen? Wanneer een van de dorpsbewoners echter een wonderlijke dood in het woud sterft en het dorp ’s nachts wakker schrikt door ijzingwekkend gegil, groeit twijfel. Bestaan ze dan toch, de monsters? En hoe kunnen de vliegeraars ze verjagen? Of is de toverkracht van de vliegers suggestief? Niemand die het precies weet.

Het is spijtig dat Jonge Vlieger nogal traag op gang komt, maar het originele, kleurrijke beeld van het dorp met daarboven al die waaierende vliegers spreekt te veel tot de verbeelding om het boek te sluiten. Ook de dromerige Jani (12), Van Velzens protagonist en het oertype van de zoekende ziel, ondervindt dat. Hij voelt zich geroepen tot de vliegers en wanneer Ouwe Vlieger hem uitkiest als zijn opvolger, aanvaardt Jani zijn lotsbestemming – ondanks dat hij daardoor zijn vriendschap met het meisje Maan verliest.

Van Velzens sprookjesachtige verhaal is doortrokken van een onderhuidse stille melancholie. De grootste lading is te vinden in de scènes waarin Jani worstelt met zichzelf en twijfelt over zijn roeping en gevoelens voor Maan.

Het is lovenswaardig dat Van Velzen niet is gezwicht voor gemakkelijke toverij, maar een verhaal vertelt over de ongrijpbaarheid der dingen en zodoende – met soms ook mooie zinnen – Jonge Vlieger leven en mysterie inblaast.

De huiveringwekkende apotheose verrast en haakt aan bij het verhaalgegeven dat ‘niets blijft zoals het is’. Dat geeft ruimte voor een nieuw sprookje over Jani. Of dat er komt? Van Velzens kracht is haar verbeelding. Hopelijk voert die haar nog vaak naar nieuwe plaatsen en onbekende werelden. Laat Van Olmen haar volgen. Zodat het fantasieverhaal levend blijft.