Aftreden is ‘een zweepslag’ voor ambtenaar

Wanneer moet een bewindspersoon weg? Daar zijn geen heldere regels voor. Zelfs na een motie van wantrouwen kan een minister blijven.

Wim Kok verscheen op 28 november 2002 voor de parlementaire enquête Srebrenica. Het kabinet Kok II was op 16 april van dat jaar al teruggetreden na publicatie van het het NIOD-rapport over de Nederlandse betrokkenheid bij val van Srebrenica in 1995. „Ik ben tot de slotsom gekomen dat de ernst van de bevindingen van het NIOD (...) niet zonder politieke consequenties mogen blijven”, zei Kok in de Tweede Kamer.
Wim Kok verscheen op 28 november 2002 voor de parlementaire enquête Srebrenica. Het kabinet Kok II was op 16 april van dat jaar al teruggetreden na publicatie van het het NIOD-rapport over de Nederlandse betrokkenheid bij val van Srebrenica in 1995. „Ik ben tot de slotsom gekomen dat de ernst van de bevindingen van het NIOD (...) niet zonder politieke consequenties mogen blijven”, zei Kok in de Tweede Kamer. Foto Roel Rozenburg

De routiniers aan het Binnenhof weten het: zodra na de publicatie van een belastend onderzoeksrapport het begrip ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ opduikt, treedt de alarmfase in werking. Dan zijn krantenkoppen over bungelende bewindslieden, ministers in de gevarenzone dan wel ministers die aan een zijden draad hangen niet ver weg meer.

Deze week is het staatssecretaris Fred Teeven (Justitie, VVD) wiens naam zit vastgeklonken aan de woorden ministeriële verantwoordelijkheid. Hij nam vorige week de volledige verantwoordelijkheid op zich voor het falen van verschillende overheidsdiensten rond de begeleiding van de uit Rusland afkomstige asielzoeker Aleksandr Dolmatov. De ontregelde Rus pleegde op 17 januari van dit jaar zelfmoord in een Rotterdams detentiecentrum. Voor Teeven betekent die verantwoordelijkheid dat hij zich vandaag tegenover de Tweede Kamer uitvoerig moest verantwoorden.

Zo gaat het lang niet altijd, want ministeriële verantwoordelijkheid valt onder het zogeheten ‘ongeschreven staatsrecht’: het kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Dit gebeurt dan ook ruimschoots, zoals de parlementaire geschiedenis laat zien.

In 2006 droegen de toenmalige ministers van Justitie Piet Hein Donner (CDA) en Volkshuisvesting Sybilla Dekker (VVD) de ministeriële verantwoordelijkheid voor het falen bij een brand in het detentiecentrum van Schiphol. Daarbij kwamen elf illegalen om het leven. Enkele uren na verschijning van het onderzoeksrapport traden ze af. De Tweede Kamer kwam er niet meer aan te pas. De volbloed jurist Donner vond een diepgaand debat uiterst noodzakelijk. Maar, zo zei hij in zijn verklaring, „een dergelijk debat is niet mogelijk indien het in het teken staat van het al dan niet aanblijven van een minister. Een waardig debat, dat recht doet aan de ernst van deze vragen, is mitsdien slechts mogelijk door mijn vertrek.” Om zaak en persoon te scheiden hield hij de eer aan zichzelf.

Maar kan een minister het falen van onder hem vallende ambtenaren eigenlijk wel zodanig worden aangerekend dat hij moet opstappen? Ja, zei de vader van de afgetreden minister, de staatsrechtgeleerde André Donner reeds tientallen jaren geleden. Als een minister aftreedt dan kan dat worden beschouwd als „een zweepslag voor de ambtelijke dienst”, zei hij.

Toch gebeurt dit niet altijd. Eén van de bekendste voorbeelden is Gijs van Aardenne die in de jaren tachtig als minister van Economische Zaken verantwoordelijk werd gehouden voor het debacle rond scheepsbouwconcern RSV. De vele honderden miljoenen guldens aan overheidssteun hadden niet voorkomen dat het bedrijf ten onder ging. Van Aardenne vond zelf dat de vele ambtelijke blunders geen persoonlijke consequenties voor hem hoefden te hebben. De rest van zijn ministersperiode ging Van Aardenne wel als ‘aangeschoten wild’ door het leven.

Juist omdat er geen vaste, heldere regels zijn speelt politieke opportuniteit een belangrijke rol bij de vraag of een bewindspersoon al dan niet vertrekt. In die categorie past het opstappen van het tweede kabinet Kok als gevolg van de Srebrenica-affaire. Duizenden Bosniërs in de door Nederlandse militairen bewaakte enclave werden in 1995 door Servische troepen vermoord. Onmiddellijk rees toen al de vraag of defensie-minister Voorhoeve moest aftreden. Dit gebeurde niet. Er volgden jaren van onderzoek waarna uiteindelijk in 2002 eerst de zittende minister van Defensie Frank de Grave aftrad en vervolgens het hele kabinet. Met schuld had het niets te maken – de meeste ministers die opstapten waren ten tijde van het Screbrenica-drama niet eens in functie – maar met het (laat) nemen van verantwoordelijkheden des te meer.

Hoe zal het nu vandaag het jongste ‘ministeriële verantwoordelijkheidsgeval’ Fred Teeven vergaan? Hij laat vooralsnog het oordeel aan de Tweede Kamer over. Zo opereerde staatssecretaris Robin Linschoten (Sociale Zaken, VVD) in 2006 aanvankelijk ook. Hij ging eerst het debat met de Tweede Kamer aan over een vernietigend onderzoeksrapport naar een onder hem vallende uitkeringsinstantie. Toen een meerderheid van de Kamer toch een deel van de kritiek van het door hem bestreden rapport overnam, kondigde hij halverwege het debat zijn aftreden aan.

Linschoten had er ook voor kunnen kiezen het eindoordeel van de Kamer over zijn functioneren af te wachten. De motie van wantrouwen is dan in zo'n geval het instrument van de Kamer om een negatief oordeel uit te spreken. Wordt die motie aangenomen dan is het normaliter het einde van de bewindsman. Maar het hóeft niet. Minister van vreemdelingenzaken Rita Verdonk bleef in 2006 na een aanvaarde motie van wantrouwen gewoon zitten. Toenmalig premier Balkenende van het om andere redenen toch al demissionaire kabinet restte niets anders dan haar takenpakket uitkleden.

Al weer een voorbeeld van levend staatsrecht. Hoewel in het geval van Verdonk had D66-leider Pechtold het zeven jaar geleden liever over „prostituering van het staatsrecht”.