Opinie

Uitnodiging

Een onherkenbare, oude man op de cover van Esquire. Kleine, diepliggende ogen in een net van rimpels, smalle lippen, maar nog wel een forse haardos. Mick Jagger? Ik doe een stap naar het rek in de kiosk en zie dan pas zijn naam in kapitalen over de volle breedte: Redford.

Ach, inderdaad. Robert Redford, de acteur, inmiddels 76 jaar. Vorig jaar stond hij nog in NRC Handelsblad met een interview door Mark Duursma over zijn activiteiten voor de onafhankelijke Amerikaanse film. Esquire zocht hem op in het kantoor van zijn Sundance Resort, een skioord in Utah. Over privézaken praat Redford nauwelijks, al wordt duidelijk dat hij aan artritis lijdt. „Wie artritis heeft moet blijven bewegen”, adviseert hij. Nog altijd doet hij aan tennis, skiën en paardrijden.

Mooi meegenomen, zo’n advies van een ervaringsdeskundige, maar wat mij vooral boeide was de beschrijving van zijn vete met de belangrijkste Amerikaanse filmcriticus van zijn tijd, de in 2001 overleden Pauline Kael van de New Yorker. Zijn films, ook de film waarmee hij als acteur doorbrak, Butch Cassidy And The Sundance Kid, vond ze vaak middelmatig, glad amusement. Zijn debuut als filmregisseur in Ordinary People noemde ze ‘banaal’: „De film is ernstig en bedoeld om mensen te verbeteren, en hij duurt eindeloos.”

Wat gebeurt er als de criticus en zijn/haar slachtoffer elkaar ontmoeten? Redford vertelt erover. Hij zat in de jaren zeventig in een restaurant in Santa Monica te eten, toen de ober meldde dat de heer Newman hem in een ander vertrek graag zou ontmoeten. Redford dacht dat het een grap van zijn vriend Paul Newman was en liet weten dat hij geen tijd had. Toen hij het restaurant wilde verlaten, kwam er een vrouw op hem af die zijn handen greep en zei: „Ik ben Pauline Kael. Je zult me wel haten. Maar je moet iets begrijpen. Je stelde me teleur.”

Redford vroeg zich nog steeds af of hij in de maling werd genomen, maar ze hield aan: „Ik ben hier voor die stomme Academy Awards, ik zou je graag ontmoeten.” „Ik bel je wel”, reageerde Redford. Hij deed dat ook, maar om de uitnodiging af te wimpelen. Het leek hem geen goed idee, zei hij tegen haar. Vanaf toen kon hij bij haar helemaal geen goed meer doen, aldus Redford. Ze ging met haar uitnodiging als criticus een grens over, vindt hij. „Ze willen je bezitten. Ze willen je koers bepalen.”

Een treffende anekdote – als hij waar is. Hij zegt veel over de gecompliceerde verhouding tussen criticus en bekritiseerde.

Stel dat Redford de waarheid spreekt, heeft hij dan gelijk? Gaat een criticus te ver als hij toenadering zoekt tot degene die hij beoordeeld heeft – en nog vaak zal moeten beoordelen?

Ik kon me het ongemakkelijke gevoel van Redford wel voorstellen. Wat had hij te wisselen met iemand die zijn werk maar matig vond? En wat wilde Kael ermee bereiken? Begrip voor haar kritiek? Maar waarom zou een criticus hengelen naar begrip, werden haar stukken er beter van?

Voor de buitenstaander lijkt de geste van Kael raadselachtiger dan de weigering van Redford. Zij vond zijn films banaal, maar misschien waren haar motieven om Redford te ontmoeten minstens zo banaal en wilde ze aardig gevonden worden door een beroemdheid.

Frits Abrahams leest zondag 21 april in NRC Restaurant Café (Rokin 65, Amsterdam) voor uit zijn nieuwe columnbundel Alles loopt altijd anders. Inleiding en interview door Michel Krielaars. Aanvang 15.30 u.