Abe’s lente op krediet

Gepasseerd door China als tweede economie van de wereld was Japan de laatste jaren nogal achter de horizon van velen in het Westen gezakt. Maar sinds begin dit jaar volgen economen en politici de ontwikkelingen in Japan weer op de voet. Want onder leiding van de nieuwe premier Shinzo Abe voert het land, dat al zo lang worstelt met stagnatie, een gewaagd experiment uit om zijn economie, en daarmee zijn samenleving, nieuw leven in te blazen.

Als het de Japanners lukt na bijna twee decennia de vicieuze cirkel van dalende prijzen (deflatie) en stagnerende groei te doorbreken, zullen andere regeringen, met name in het Westen, snel volgen met soortgelijk beleid. Van vele kanten heeft Abe al toejuichingen ontvangen: van Christine Lagarde, voorzitter van het Internationaal Monetair Fonds, tot de Amerikaan Paul Krugman, winnaar van de Nobelprijs voor de economie.

De Japanse regering hoopt op succes door drie dingen tegelijk te doen. Allereerst opzettelijk de inflatie aanwakkeren: tot 2 procent binnen twee jaar. Dat zou Japanners moeten stimuleren hun geld niet langer op de bank te laten staan, maar te investeren of te consumeren. Zo zou de vraag worden gestimuleerd.

Voorts trekt de regering geld uit voor een stevig stimuleringspakket. Er komt meer geld voor scholen, wetenschappelijk onderzoek en wegen en het nieuwe beleid zou 600.000 nieuwe banen moeten scheppen. Tenslotte wil de regering structurele hervormingen doorvoeren in de economie. Abe heeft nog niet gezegd hoe, maar er valt vooral te denken aan een hervorming van het belastingstelsel. Ook zou de arbeidsmarkt flexibeler moeten worden, ten behoeve van vrouwen en jongeren. Bovendien zou Japan zijn grenzen meer moeten openstellen voor vrijhandel.

Het aanwakkeren van inflatie is niet zonder economische en politieke risico’s. Wie garandeert dat de inflatie, eenmaal op gang, onder controle blijft? Onvermijdelijk is ook dat meer inflatie ten koste gaat van spaarders. En dat zijn vooral ouderen, een groep die in Japan door de oprukkende vergrijzing al groter is dan in de meeste andere landen. Daardoor is het ook electoraal een belangrijk contingent. David Pilling wijst er echter in een recente column in de Financial Times op dat er een zekere rechtvaardigheid schuilt in „een diefstal van de ene generatie op de andere”, zoals hij het noemt, omdat de oudere generatie het naar verhouding zoveel beter heeft dan de jongere. Mensen van boven de zestig bezitten tweederde deel van alle Japanse spaargelden, aandelen en obligaties in particuliere handen.

Veel Japanse jongeren hebben niet meer de vaste banen voor het leven die hun vaders en (in mindere mate) moeders hadden. Ze krijgen naar verhouding minder loon en hun kansen op promotie zijn geringer. Ze komen daardoor ook minder gauw aan bod op de woningmarkt. Niet voor niets wonen veel jongeren nog lange tijd bij hun ouders in. Sommigen kwijnen daardoor weg. Ze hebben zelfs geen partner, en in opmerkelijk veel gevallen zelfs geen interesse in seks. Geen hoopvolle staat voor de Japanse samenleving op den duur, laat staan voor de economie.

Minister van Financiën Taro Aso, zelf 72, grapte in januari dat oudere mensen „moeten opschieten en sterven”. Zijn grapje werd hem niet in dank afgenomen en hij moest zich verontschuldigen. Te meer omdat de regering in juli nog belangrijke verkiezingen in het Hogerhuis voor de boeg heeft, die ze moet winnen om haar ambitieuze economische programma uit te voeren.

Critici van ‘Abenomics’ betogen dat ook Abe’s voorgangers al hebben geprobeerd de economie via forse overheidsinvesteringen uit het slop te halen. Dat leidde slechts tot een grotere staatsschuld, die hoger is dan in enig ander groot geïndustrialiseerd land. Maar zo’n injectie was doorgaans snel uitgewerkt.

Het nieuwe van Abe zit hem vooral in het wijd openzetten van de geldkraan. Dat gebeurt nu onder de nieuwe gouverneur van de centrale bank van Japan, Haruhiko Kuroda, die al jaren pleit voor het drukken van meer geld om de economie aan te zwengelen.

Door de reusachtige hoeveelheden yen die Kuroda erbij laat drukken, is de koers van de Japanse munt op de internationale wisselmarkten flink gedaald. Dat leidde meteen tot protesten uit het buitenland, want de Japanse industrie kan zo goedkoper exporteren. De Duitse minister van Financiën Wolfgang Schaüble bromde dat afgesproken was de geldpolitiek niet in te zetten om „enigerlei economisch-politieke of exporttechnische voordelen” te bereiken. En ook Chinese zakenlieden klaagden steen en been.

Veel Japan-kenners drukken de regering op het hart vooral serieus werk te maken van de structurele hervormingen. Juist die zijn op den duur cruciaal, maar ze zijn ook het moeilijkst. Abe riskeert ermee groepen kiezers tegen zich in het harnas te jagen. Juist daarom hebben Japans politici zulke hervormingen ook steeds maar weer uitgesteld. Het feit dat het nog altijd niet rampzalig slecht ging met de Japanse economie, sterkte hen in die houding. Maar ‘Abenomics’ zou volgens sommige commentatoren wel eens de laatste kans kunnen zijn voor het land om zijn economie te hervormen, zonder zo’n diepe crisis.