Wij kweken begrip voor pubers

Het puberbrein zit vol kronkelweggetjes. ‘Op zulke resultaten uit de neuropsychologie mogen we trots zijn’, zegt Leids hoogleraar Eveline Crone.

Leiden 19-9-2011 Eveline Crone Universiteit Leiden Foto NRC H'Blad Maurice Boyer
Leiden 19-9-2011 Eveline Crone Universiteit Leiden Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

Mijn boek uit de handel? Dat zal niet gebeuren, zegt Eveline Crone (37), hoogleraar ontwikkelingspsychologie en directeur van het Brain and Development Lab in Leiden, aan de telefoon. “Ik sta er nog steeds achter.”

Dat boek is Het puberende brein uit 2008, waaraan veel mensen het idee hebben overgehouden dat de prefrontale cortex van pubers nog niet helemaal uitgerijpt is. Juist omdat die prefrontale cortex betrokken is bij impulsbeheersing en planning, zou je zo kunnen verklaren waarom pubers hun huiswerk niet maken, en soms nodeloos risico’s nemen.

Alleen: het ligt iets genuanceerder, zo schreef Crone zelf vorig jaar, met haar Amerikaanse collega Ronald Dahl in Nature Reviews Neuroscience. Het idee van een onderontwikkelde prefrontale cortex is te simplistisch, zo stelden zij.

Had haar Utrechtse collega Willem Koops dus een punt toen hij haar boek achterhaald noemde? Crone zucht. “Ons artikel was een heel moeilijk artikel, niet bedoeld voor een breed publiek, maar gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift over een theoretische kwestie. Er zijn in de neuropsychologie namelijk twee gezichtspunten.

“Je kunt spreken van het zich ontwikkelende brein. Dan stel je globaal: als je jong bent is er geen prefrontale cortex en later is hij er wel, en dat was wat veel neurowetenschappers lange tijd dachten.

“Je kunt ook spreken van ‘interactive specialisation’. Dan bestaat de hersenstructuur wel, maar is hij nog onontgonnen. Dat is de lijn waarvan we nu denken dat die juiste is. Maar ook het ontginnen van die prefrontale cortex is in de adolescentie enorm belangrijk. En in wezen heb ik het in mijn boek ook zo uitgelegd.”

Het boek mag blijven?

Crone: “Ja. De prefrontale cortex is niet het enige hersengebied dat een belangrijke rol speelt in de puberteit. Dat heb ik ook nooit beweerd”, lacht, “maar het is nog steeds mijn favoriete hersengebied. Het was het eerste hersengebied waarnaar we gingen kijken. En ja, nu beginnen we ook de rol van andere hersengebieden beter te begrijpen. De subcorticale emotionele gebieden die door hormonen worden beïnvloed bijvoorbeeld. En misschien hebben we over tien jaar weer meer ontdekt. Ik hoop het.”

En dat we zoveel nog niet weten was geen reden om resultaten nog even binnenshuis te houden?

“Ik heb niet het gevoel dat we ooit alles zullen weten, en dat vind ik ook niet erg. Tegelijk vind ik het wel belangrijk om als wetenschapper uit te leggen wat ik doe, waarom ik het doe en hoe ik het doe.”

Uw collega Koops vindt dat populair-wetenschappelijke auteurs de onzekerheden in het onderzoek duidelijk moeten maken.

“Dat heb ik steeds gedaan. Juist door de experimenten te beschrijven, door te vertellen hoeveel proefpersonen er waren, wat de vragen waren en ook welke vragen er nog altijd zijn. Zo heb ik geprobeerd inzicht in het wetenschappelijke proces te geven.”

Was u niet bang dat mensen toch vooral de simpele boodschap – de prefrontale cortex is onontwikkeld – uit uw boek zouden halen?

“Het is ingewikkeld. Je wilt dat mensen iets met je boek doen. Aan de andere kant, als de inhoud niet op een goede manier wordt toegepast, is dat lastig om te zien. Zelf ben ik heel terughoudend in het geven van adviezen, voor beleid of onderwijs bijvoorbeeld. Ik zie ons werk meer als een puzzelstukje van een groter geheel.”

En als mensen dan toch die simpele boodschap oppikken? Of die beschrijven in beleidsadviezen en onderwijsrapporten?

“Nou, ik denk dat beleid altijd op meer gebaseerd is dan één puzzelstukje. En ik denk dat je de leek onderschat, als je veronderstelt dat die mijn boek als de waarheid over het leven beschouwt. Kijk, mijn boek wordt heel veel gelezen door docenten en psychologen uit het veld, die hun eigen kennis meebrengen. Als mijn boek hun dan helpt om in hun denken een volgend stapje te nemen, dan ben ik daar blij mee.”

Wat vindt u van de kritiek dat mensen zich gaan gedragen naar wat ze over zichzelf lezen?

“Ik vind het altijd heel interessant als psychologen over ‘mensen’ praten. Dat zijn wij toch zelf ook? Het klinkt alsof wij als psychologen wel kunnen omgaan met de kennis die we vergaren, maar er anderen niet mee moeten belasten.

“Ik zie liever de andere kant van de medaille: door alle kennis die we over pubers vergaren, kweek je meer begrip voor jongeren. Dat is winst, en dat is veel belangrijker dan de vraag of je iemand beïnvloedt.”

Nogmaals, zo benadrukt Crone, het centrale idee uit haar boek is niet aangetast. “Als ik de nieuwe inzichten aan leken uitleg doe ik dat meestal zo: In de prefrontale cortex in het puberbrein lopen nog allemaal kronkelweggetjes. Pas later worden dat mooie, snelle vierbaanswegen. Daarom kost het pubers meer moeite om te plannen en beslissingen te nemen - door die kronkelweggetjes.”

En ja, dat bij de aanleg van die vierbaanswegen de omgeving een belangrijke rol zou kunnen spelen, dat punt wordt in haar boek ook genoemd. “Ik heb er acht jaar aan gewerkt, en niet zomaar wat experimentjes beschreven. Ik heb heel veel onderzoek samengebracht; het gaat om proeven die soms wel tien keer gerepliceerd zijn. Ik vind dat we ook wel eens trots mogen zijn op wat de neuropsychologie bereikt heeft.”

Margriet van der Heijden