Ik kom niet eens aan het Oostfront toe

Diederik van Vleuten maakte aan de hand van zijn familiearchief een voorstelling over de Eerste Wereldoorlog. „Wat zoek ik daar eigenlijk? Ik heb er geen anwoord op. Behalve dat ik een enorme ontroering voel.”

Oudoom Jan en opa Sam, 1916.
Oudoom Jan en opa Sam, 1916.

Op slagveldvakantie, daar begon het. Diederik van Vleuten was twintig jaar, en bezocht met zijn oudoom Jan de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog: Ieper, Verdun, de Somme. Op een foto poseert hij vrolijk met een gevonden granaat. Oom Jan wilde van dichtbij eens de oorlog zien, die hij tijdens zijn jeugd in Brabant had kunnen horen. Van Vleuten werd terstond door de geschiedenis gegrepen. „Vooral aan de Somme. De enormiteit van die slag is nauwelijks te bevatten. De Engelsen vuurden er meer dan anderhalf miljoen granaten af. Er zijn plekken daar waar je in één oogopslag zo zes begraafplaatsen ziet liggen. Die omvang verbijstert en raakt me.”

De kennismaking leidde tot een levenslange fascinatie. Thuis heeft Van Vleuten (50) ‘twee Billy-boekenkasten vol’ Eerste-Wereldoorlogboeken. Hij is vijftien keer naar de Somme teruggeweest en kent er elke afslag, ieder weggetje. Toen het hem met zijn vorige, uiterst succesvolle programma Daar werd wat groots verricht lukte om historisch materiaal over Nederlands-Indië in een aantrekkelijke theatrale vorm te gieten, stond direct vast: zijn volgende programma zou over de Eerste Wereldoorlog gaan. Zelfs al is hij een jaar te vroeg: in augustus 2014 is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. „Waarom zou ik wachten? Ik ben al dertig jaar met die oorlog bezig; ik wilde het nu doen. De tournee eindigt in mei 2014, dat vind ik eigenlijk wel chic.”

In zijn nieuwe programma Buiten Schot zegt hij het zo: hij zal het Nederlands publiek wel even gauw op de hoogte brengen van die oude oorlog. „Want straks wordt die overal herdacht, en er is niets zo onverteerbaar voor een Nederlander als dat hij ergens niet over mee kan praten.”

Zijn eerste programma was op meer dan één manier cruciaal voor de opvolger. In 2008 kreeg Van Vleuten het familiearchief in bezit, met daarin de memoires van zijn oudoom Jan: 687 pagina’s dik. „Oom Jan leefde in een opmerkelijke tijd, en hij heeft het als zijn taak gezien om daarvan verslag te doen.” In Daar werd wat groots verricht, gebaseerd op die memoires, vertelt Van Vleuten over de val van Nederlands-Indië, gezien door de ogen van oom Jan. Het programma raakte een snaar: nog altijd stromen de e-mails van herkenning en waardering binnen. Van Vleuten voegt ze stuk voor stuk toe aan het uitdijende familiearchief.

Op zeker moment vroeg hij zich af: zou die enorme historische schat nog bronnen herbergen uit de oorlog die hem zo fascineert? „En verdomd: ik vond 300 brieven die mijn opa Sam en oudoom Jan als kleine jongens tijdens de oorlog schreven aan hun ouders in Indië.” De twee logeerden bij familie in Brabant toen de oorlog uitbrak, en konden vier jaar lang niet terug naar huis. Aan hun ‘Lieve paps en moes’ doen ze kinderlijk verslag van een ingrijpende historische episode, waar Nederland weliswaar buiten stond, maar van dichtbij getuige van was. ’s Avonds in bed kunnen Jan en Sam de kanonnen aan het Vlaamse front horen. Achter het huis zien ze de Belgische vluchtelingen door de weilanden rennen. Hun oom Dick houdt algauw op met koffie uitdelen – er zijn er te veel.

Niet alleen ving Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog een miljoen Belgische vluchtelingen op – ook was het Nederlandse leger vier jaar lang gemobiliseerd. En weer viel Van Vleuten een historisch geschenk in de schoot: een foto van zijn opa van moeders kant, Hielke, op twintigjarige leeftijd, gehuld in soldatenuniform. „Daar kwam mijn moeder opeens mee aanzetten, en zo heb ik nu dé foto van de Nederlandse soldaat op z’n tuinpad. Mooier kan het niet.” Het verschil tussen de 20-jarige Diederik en de 20-jarige Hielke zou niet groter kunnen zijn. De eerste poseert lachend met een granaat uit de oorlog waar de tweede, ernstig, plichtsgetrouw, vier jaar lang vreesde te worden heen gezonden.

In Buiten Schot is Van Vleuten als een schatgraver die de verrukking over zijn vondsten deelt met zijn publiek. „Dat brengt het onderwerp dichterbij.” Want al lijkt het er soms op; hij geeft geen college – hij maakt theater. En daarvoor gelden andere wetten. „Ik ontkom er niet aan om af en toe iets uit te leggen. Maar wat is daarvoor de goeie toon? Ik moet de zaal voortdurend bij de les houden, met een grap, een anekdote, een terzij. Vragen: „Kunt u me nog volgen?” De druk om een vette lach te scoren, voelt hij niet; „daar ben ik volstrekt niet mee bezig”. Van Vleuten ziet zijn historisch-anekdotische theatervorm al lang niet meer als cabaret. „Het wordt helaas nog wel zo geafficheerd, dat hoeft van mij niet. Maar wat het dan wel is? Geen idee, het is iets nieuws.” De suggestie ‘stand-up history’ wordt door hem enthousiast onthaald. „Ja, dat is een goeie! Die ga ik zeker van je jatten.”

Zijn relaas over de oorlog begint hij eenvoudig bij het begin. Zijn publiek heeft immers een kennisachterstand; de meeste Nederlanders weten niet veel over WO I. Van Vleuten vertelt honderduit over de aanslag op 28 juni 1914 van de Servische nationalist Gavrilo Princip op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand, die de aanleiding voor de oorlog vormde. Over hoe die eerst mislukte, en even later, door een stuurfout van de chauffeur van Frans Ferdinand toch kon plaatsvinden: de teleurgestelde Princip bevond zich net toen hij een broodjeszaak verliet plots alsnog oog in oog met zijn doelwit. Van Vleuten: „Die anekdote is te krankzinnig om te laten liggen.” Verder laat hij vooral veel weg. „Ik kom niet eens aan het Oostfront toe!” Hij zucht en citeert The Soldier van Rupert Brooke: ‘If I should die think only this of me, that there’s some corner of a foreign field, that is for ever England.’ „De Britse ‘war poets’; ik heb ze er allemaal uitgelaten, anders werd het veel te Engels. Ik doe niet anders dan weglaten.”

Daar zat het meeste werk in, vertelt hij: kiezen, afwegen, schrappen. „Ik heb me natuurlijk aan een wanhopige taak gezet; er is zó veel. Ik kan nog niet eentiende kwijt van wat ik weet. Ik voel me continu op 10-0 achterstand staan. Maar het publiek ervaart het helemaal niet zo.” Hij kan nu al fantaseren over een goedgeluimde, geïnteresseerde zaal, „en dat ik aan het eind dan vraag: hebben jullie nog even?”

Wat hij, onder meer, wél in Buiten Schot verwerkt: de brieven van Sam en Jan en een anekdote over de Timbertown Follies: een cabaretgroep van Britse soldaten die in Groningen waren geïnterneerd. Een ontmoeting die hij vorig jaar had met een schoolklas uit het Britse Devon die net als hij de slagvelden bezocht – „Greatgrandfather found at last”, schreef een meisje in het gastenboek van de begraafplaats. De korte, tragische geschiedenis van het Devonshire-regiment dat daar ten onder ging. Terzijdes over Opa Hielke. En Maurice Ravel.

Want één ding wist Van Vleuten zeker: hij zou eindigen met het pianoconcert voor de linkerhand dat Ravel schreef voor pianist Paul Wittgenstein die in de oorlog zijn rechterarm verloor. „Ik vind het zo ontroerend wat Ravel daarmee heeft gedaan: een geschonden man weer heel maken. Dat zegt iets over de kracht van kunst.” Van Vleuten speelt het in Buiten Schot zelf – een kippenvelmoment.

De ontroering overvalt ook hem geregeld bij het spelen van zijn programma. Maar hij vindt het nog altijd moeilijk te omschrijven waarom die oude oorlog hem zo raakt. „Wat zoek ik daar eigenlijk, aan de Somme? Ik heb er geen antwoord op. Behalve dat ik een enorme ontroering, verbijstering en verwondering voel.” Op begraafplaatsen leest hij de opschriften van grafkruizen. „Elke steen heeft een verhaal. Verhalen van mannen in hemeltergende omstandigheden. Dan zie je: 18, 19, 20 jaar. Toen was ik op slagveldvakantie.”

Zelf hoefde hij nooit in dienst. „Ik was ‘minder goed indeelbaar’ – nog altijd geen idee wat dat betekent.” Maar dat zijn fascinatie compensatie zou zijn, of schuldgevoel, dat denkt hij niet. „Het is historische belangstelling, gepaard aan een groot empathisch vermogen. Ik voel die verhalen gewoon heel erg. Maar je moet ook wel van ijzer zijn om daar niet door te worden geraakt.”

Diederik van Vleuten: Buiten Schot. Informatie en speellijst: diederikvanvleuten.nl