Opinie

Abrikozenpitten

Een gepensioneerd reumatoloog uit Bergen op Zoom die op zaterdag koekjes bakt in een lunchroom, vroeg me of er gemalen abrikozenpitten door de koekjes mochten. Als je de pit van een abrikoos openbreekt komt er een kern tevoorschijn die er uit ziet als een amandel en die net zo smaakt. Officieel is het afval, maar het komt uit de natuur, en dan is het toch veilig? Niet dus. Een meisje van twee jaar in Turkije at tien van die pitten achter elkaar, kreeg hoofdpijn, werd duizelig, verloor het bewustzijn en overleed in het ziekenhuis. Het was lang niet het eerste geval van vergiftiging door abrikozenpitkernen.

Het vergif in de pitten is cyanide, ook bekend als blauwzuur of cyaankali. Dat zit er niet voor niets in. Abrikozen dienen om het zaad met het DNA van de abrikozenboom te verspreiden. Daarom zijn ze kleurig en zoet. Beesten slokken de abrikozen op met pit en al, poepen de pitten ongeschonden uit, en daaruit groeit een nieuwe abrikozenboom. Het kapot kauwen van de pit en dus van het DNA stoort de voortplanting en wordt afgestraft met vergiftiging. De pit bevat los van elkaar cyanide in een onschadelijke, niet-actieve vorm en een enzym dat cyanide kan vrijmaken. Wie de pit fijnkauwt brengt het enzym en de inactieve cyanide bij elkaar en dan komt het gif vrij.

Cyanide zit ook in bamboescheuten, limabonen en in cassave, die dikke bruine wortels uit het vak met de exotische groenten. Als je cassave goed schilt, fijn raspt, langdurig weekt en daarna uitperst en droogt ben je het meeste cyanide kwijt en kun je onbeperkt cassave eten. Dat doen mensen in Afrika en Azië dagelijks. Toch komt ook daar chronische lichte vergiftiging voor. Oneetbare planten zijn helemaal vaak giftig. De bessen van sierplanten als hulst, goudenregen, taxus en peperboompje veroorzaken bijna dagelijks vergiftigingen. Soms hebben de plantenveredelaars het eetbare deel van een plant weten te ontdoen van gif, en de rest niet. Zo zitten de bladeren van de aardappelplant, de tomaat en de aubergine vol giftige alkaloïden.

De natuur is dus van huis uit niet gezond, en dat wij groenten en fruit kunnen eten is vooral te danken aan kwekers die al tienduizend jaar lang plantengenen veranderen. Wilde limabonen zijn dodelijk, maar kwekers hebben die plant genetisch zo bewerkt dat hij geen cyanide meer maakt, en van die plant vind je de bonen in de winkel. Die ligt vol met planten die genetisch eetbaar zijn gemaakt, de supermarkt net zo zeer als de biologische boerenmarkt.

Verse, onbewerkte groenten vinden wij het summum van natuurlijkheid. Meestal is dat ‘natuurlijke’ eten afkomstig van gekweekte planten en gefokte dieren die in de wilde natuur niet kunnen bestaan. Gewone koeien zouden op de Afrikaanse savanne binnen een dag opgegeten worden, want in tegenstelling tot Afrikaanse buffels kunnen koeien niet vechten. Voedselplanten zijn door kwekers van hun chemische wapens beroofd en moeten door de boer worden verdedigd met pesticiden. Onze sla, bloemkool en mango zijn sullige reuzen die door kwekers met engelengeduld plus radioactieve straling en kankerverwekkende chemicaliën zijn veredeld tot iets wat in de natuur niet voorkomt. Is er iets onnatuurlijkers denkbaar dan druiven zonder pitten, dus zonder voortplanting?

Over die radioactiviteit en die kankerverwekkende chemicaliën hoeft u zich geen zorgen te maken, die komen de laboratoria niet uit. Alleen de nieuw gefabriceerde zaadjes komen naar buiten. Daar groeit een boomgaard of akker uit met het nieuwste model appel, sla of soja. Met ‘natuur’ in de oorspronkelijke betekenis hebben die weinig te maken. Datzelfde geldt voor bloemen, tuinplanten, poezen en honden: allemaal kunstmatig.

Omdat we al zo lang geen echte natuur meer kennen zijn we de angst voor de natuur kwijtgeraakt. We zijn niet op onze hoede voor leeuwen, maar voor auto’s; niet voor giftige bonen, maar voor gif gemaakt door mensen, zoals pesticiden. Dat maakt wanhopige kankerpatiënten ontvankelijk voor de suggestie dat ze genezing kunnen vinden in de natuur. In abrikozenpitten bijvoorbeeld. De cyanidehoudende stof uit abrikozenpitten werd in de Verenigde Staten vanaf 1970 onder de naam ‘Laetrile’ verkocht als middel tegen kanker. Handelaren verdienden er miljoenen aan. Het maakte niet uit dat mensen er aan dood gingen – waaronder een meisje van 11 maanden dat van haar vaders Laetrilepillen had gesnoept. Vijf grote Amerikaanse kankerziekenhuizen voelden zich zelfs moreel gedwongen tot een serieus onderzoek naar de werkzaamheid van Laetrile. Het werkte niet, de tumoren groeiden gewoon door en na een jaar was 80 procent van de kankerpatiënten overleden, maar de (illegale) verkoop ging gewoon door.

Kankerpatiënten krijgen nog steeds Laetrile aangesmeerd, en er worden nog steeds mensen ziek van abrikozenpitten. Die pitten zijn wel eetbaar te maken: bij deskundig malen en verhitten komt het blauwzuur eruit. Zo worden goedkope banketbakkersspijs en marsepein gemaakt, daar is niets mis mee. Maar een amateur moet daar niet mee experimenteren.

Ik raadde de reumatoloog in Bergen op Zoom dus de abrikozenpitten af. ‘Natuurlijk’ is lang niet altijd eetbaar.