Anton Heyboer in al zijn grilligheid

In een nieuwe biografie, geënt op vele interviews, komt de ‘outcast’, etser en schilder Anton Heyboer naderbij. Geestig, slim, charmant, maar ook agressief en machtsbelust.

Sommige interviews zijn onuitwisbaar. Het gesprek had plaats in een loods, tussen talloze zoutkristallen lampjes en een roedel Duitse herders. De kunstenaar praatte zeven uur lang tegen twee journalisten van deze krant die tussentijds in zijn beenpezen moesten knijpen om vast te stellen dat hij fysiek nog jaren mee kon. Af en toe plaste hun gesprekspartner vrolijk in de spoelbak van de keuken, drie meter verderop. Om daarna weer uit te halen naar de gevestigde kunstwereld, de ‘kunstpenose’.

Vier jaar later was etser en schilder Anton Heyboer dood, 81 jaar oud. De ontdekking van zo’n 2.000 etsen werd inzet van een juridisch steekspel, een affaire die nu nog onder de rechter is. Gaat het hier om vervalsingen?

In ‘een biografische speurtocht’ probeert historicus en journalist Bert Nijmeijer dat laatste te achterhalen. Maar hij wil vooral verifiëren of Heyboer in 1924 op Java was geboren, als tiener emotioneel werd verwaarloosd op Curaçao, als gevangene vier oorlogsjaren doorbracht in een Duits kamp, als ‘krankzinnige met een Christus-complex’ werd gediagnosticeerd in het psychiatrische ziekenhuis Santpoort, als kunstenaar-zwerver vier huwelijken sloot en twee kinderen kreeg en als onthechte zonderling zijn laatste veertig jaar sleet in een gigantische bouwval – waaronder die schuur met zoutkristallen lampjes. Daar in het Noord-Hollandse dorp Den Ilp brak hij de persoonlijkheden van zijn laatste echtgenote Maria en drie nieuw verworven vrouwen af om ze weer op te bouwen, want ‘niets zijn is de hoogste vorm van zijn.’

De grote etser, die in de jaren vijftig en zestig wereldwijd – van New York tot Jeruzalem – furore had gemaakt, afficheerde zich vanuit dat dorp als een mafkees met een harem bij voorkeur in de roddelrubriek van De Telegraaf. Hij schilderde er dagelijks zijn vijftig kippen of bootjes, inclusief reusachtige signatuur, waarvoor je in een naburig winkeltje, gerund door zijn vijfde vrouw, een fractie betaalde van de prijs die een ‘oude’ Heyboer opbracht. ‘De hardwerkende arbeider kon nu ook beleggen’, aldus de kunstenaar.

Nijmeijer schreef aan de hand van tientallen interviews en gedegen onderzoek een waardig en sfeervol boek over een krankjorum kunstenaarsleven. Dat begon, inderdaad, op een vulkanisch eiland bij Sumatra als kind van een onderwijzeres en een ingenieur. En, inderdaad, in de oorlog, 19 jaar oud, werd Heyboer te werk gesteld in een Berlijnse fabriek – geen kamp dus, en geen vier jaar, maar zeven maanden. Al fantaseerde en mythologiseerde de kunstenaar er graag op los, de rest van zijn levensloop – van psychiatrische inrichting tot vaderschap – klopt.

Vuilnisbelten

Na thuiskomst uit Berlijn begon in Haarlem het dolen en dollen. Hij scharrelde naar spullen en eten op vuilnisbelten en trok van het ene tochtige onderkomen naar het volgende lekkende dak. Zijn bouwvallen vulden zich met omgekeerde boomstronken en grote stenen. Kunstenaars dienden ‘elementair, of essentieel’, te leven, vond hij.

Steeds weer liep Heyboer in Haarlem mensen tegen het lijf die zich om hem bekommerden en die hem leerden schilderen en etsen. Een veilige pleisterplaats werd kunstenaarssociëteit Teisterbant, waar de literaire beau monde toefde. Voorzitter Godfried Bomans stopte hem geld toe, zorgde voor een baantje en het volgende onderdak.

Ook het grote pand van mysticus-schilder Henri F. Boot, met landlopers, ratten en ‘spinnewebben als scheepszeilen’, werd een toevluchtsoord. Harry Mulisch bezocht Heyboer daar af en toe: daar bevond men zich ‘op wegen naar het onbekende, met een ontwikkeling van de persoonlijkheid naar gebieden waar men niet meer te volgen was.’[...] Men ‘hoorde erbij wanneer men nergens meer bij hoorde’.

Eenmaal min of meer gesettled in een ménage à trois, liep het mis: een psychose. In een zelfverkozen isoleercel in Santpoort leerde Heyboer ‘het gevoel kennen in zijn naakte vorm’ [...] ‘alsof mijn ziel door alle in de oorlog en daarna opgelopen onzin heen drong.’ Hij ‘leed als Jezus en moest vooral meisjes redden.’ ‘Zielepijnen’ maakten hem voortaan ongeschikt voor de buitenwereld. Hij ontwikkelde zijn eigen evangelie: een systeem van kruisen, lijnen, mummieachtige mannen en vrouwen, onschuld en lijden, en de cijfers één tot negen. Heyboer: ‘Ik had in mijn niets-kunnen, in mijn krankzinnigheid, een existentie gevonden.’

Veel rauwe etsen rolden van de etspers: ‘hij kraste zo diep als hij kracht had’. Het moment van creëren was een flits van de eeuwigheid, daarna was een afdruk oninteressant. Gelukkig brachten ze wel steeds meer geld op. Hans Locher, toen directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, verdiepte zich grondig in het werk van deze ‘authentiek krankzinnige’. In 1958 kocht museumconservator Hans Koetsier een hele tentoonstelling in het prentenkabinet van het Stedelijk Museum aan. Plastisch chirurg J.H. Piers kreeg later het exclusieve recht op Heyboers werk, op voorwaarde dat hij ‘voor Anton zou zorgen.’

Het is in Nijmeijers boek – alleen geïllustreerd met kiekjes en niet met Heyboers kunst – daarna een komen gaan en van vrouwen, vrienden en kennissen, met herinneringen aan een geestige, intelligente, zorgzame, charmante man die plotsklaps een gewelddadige en machtsbeluste kant kon laten zien. Zoals hij zijn huwelijkspartners en kinderen in de steek liet, zo kon hij vrienden en weldoeners abrupt ontvrienden, ook Bomans, Locher en Piers. Sfeervol zijn vooral de beschrijvingen en anekdotes uit de tijd van Teisterbant, uit zijn wilde tijd in Amsterdam waar hij – op weg met een boot naar Frankrijk – gestrand was, en de eerste jaren in Den Ilp.

Vervalsingen

In het thriller-achtige laatste deel van het boek lezen we dat een half jaar vóór Heyboers dood ene professor Bijvoet aanbelt bij de Amsterdamse galerie van Couzijn Simon en Georges Knubben die sinds 1968 werk van Heyboer verhandelen. Bijvoet, die zich uitgeeft voor een familielid van Heyboers oude vriend Josef Santen, had etsen en schilderijen uit de ‘Haarlemse periode’, 1953-1960 in de aanbieding, ontdekt in het Groningse Muntendam, waar Santen had geleefd.

In een reeks van jaren leverde de professor in de avonduren zo’n 2.000 onbekende etsen en schilderijen tegen contante betaling bij de galerie af. ‘Authentiek’ zeiden een ex-echtgenote, Heyboers dochter en de galeriehouders. ‘Vals’, riepen de weduwen in Den Ilp. Kenner Hans Locher sprak zich niet uit.

De Amsterdamse kunsthandelaar Rob Bruil, die zelf een aantal van de Bijvoet-etsen had gekocht en verkocht, voelde zich ten opzichte van zijn clientèle verplicht de zaak uit te zoeken. Hij kwam Bijvoet op het spoor, achtervolgde hem, maar haakte af toen diens nachtelijk bezoek aan een prostituee op de Wallen wel erg lang duurde. Dezelfde Bruil zou inmiddels Bijvoet hebben ontmaskerd als de nog altijd spoorloze vervalser Robbert de Graaf. Op de collectie van de galeriehouders Simon en Knubben is beslag gelegd.

De onthechte Heyboer, die je na lezing van dit boek in al zijn grilligheid beter hebt leren kennen, zou zich in Den Ilp hebben verkneukeld over deze affaire. De ‘kunstpenose’ had zichzelf toch maar mooi een loer gedraaid.

Literair Haarlem/ Noord-Hollands Archief organiseren op vrijdagavond 19 april, 20.15 uur, in de Janskerk een literaire avond rond ‘De Haarlemse jaren van Anton Heyboer’. Uitgever Vic van de Reijt gaat in gesprek met Heyboers ex-echtgenote Erna Kramer en met biograaf Bert Nijmeijer. De vermeende vervalsingskwestie (de zogenaamde Santen-collectie) komt later die avond ter sprake. Inl.: 0642783897/ 0612443769. Reserveringen: 023- 5251944, info@kennemerboekhandel.nl