Rembrandt is als vader een hork

Drie jaar werkte Typex aan zijn strip over leven en werk van Rembrandt. Hij was een onmogelijk mens, denkt de tekenaar.

Rembrandt van Rijn was een chagrijn. Een moeilijke man voor zichzelf en voor zijn omgeving. Iemand die het liefst alleen maar aan het werk was. Een schildersbeest, ja, iemand die al zijn emoties en gedachten omzette in verf. Maar ook iemand die lol kon hebben, zeker toen hij wat ouder werd. Die met een pilsje erin best te pruimen zal zijn geweest.

Typex, alias Raymond Koot, zegt het met vertedering over het onderwerp van zijn getekende biografie. Een man met wie hij bijna drie jaar lang dag en nacht optrok. Het resultaat, Typex’ Rembrandt, verscheen vorige week.

Maar echt met Rembrandt in de kroeg zitten? Niet de hele avond. Gaat het de hele tijd over schilderen, even over vrouwen, dan weer over schilderen. Tekenaars praten niet over hun werk. Typex (1962) heeft sympathie voor hem, al vermoedt hij dat de schilder geen vriendelijke man was.

Het is maar speculatie. We weten niet wie of hoe Rembrandt was. Persoonlijke getuigenissen en intieme details zijn nauwelijks overgeleverd. Al informatie vergarend en redenerend vormde Typex zich een beeld van de man die in 1606 in Leiden werd geboren en in 1669 in Amsterdam stierf. Het meest feitelijk en inzichtelijk is nog de inventaris van Rembrandts inboedel van zijn huis in de Jodenbreestraat, opgemaakt bij zijn faillissement.

Hij heeft het allemaal in een enorme tekstballon opgenomen, zegt hij gniffelend. Onder meer: 8.000 prenten, een walvisskelet, 25 opgezette vogels, 28 marmeren bustes, 81 hoeden, 8 geweien. Ongelofelijk hè. Het heeft ook iets kinderachtigs, zegt hij. Iets onverantwoordelijks. Dan heb je al een karaktereigenschap van de schilder die je niet snel tegenkomt. In het boek maakt vriend Jan Six een sarcastische opmerking over de mateloze verzamelwoede.

Nadat Typex de opdracht had gekregen van het Rijksmuseum om een biografie te gaan tekenen van Rembrandt, in 2010, verdiepte hij zich in de schilder. Hij las dat Rembrandt uiteindelijk al zijn mecenassen tegen zich in het harnas joeg en zijn vrienden van zich vervreemdde. Een onmogelijk mens misschien, dacht hij.

Aan hoe Rembrandt aan zijn vrouwen kwam, viel hem ook iets op. De eerste, Saskia, is het nichtje van zijn zakenpartner Hendrick Uylenburgh, bij wie hij toen inwoonde. Na haar dood wordt de min en huishoudster zijn tweede vrouw, Geertje. Die loopt al rond. En zijn derde vrouw wordt een andere, jongere huishoudster, Hendrickje. Komt die man wel buiten, vroeg Typex zich af.

Uit zo’n liefdesleven concludeert Typex dat Rembrandt niet erg sociaal was of ten minste niet handig in sociale contacten. Hij is een ster, een van de beroemdste mannen van het land en iedereen wil zijn schilderijen hebben: aan elke vinger tien deernen, zou je denken. Dat het zo niet gaat, moet aan hemzelf liggen.

Autobiografie

Er zit ook veel van hemzelf in het boek, zegt de tekenaar. Het is bijna een autobiografie over Rembrandt. De tekenaar bezit dezelfde gezichtsbeharing als de schilder – snor die zich om de lippen krult, sikje onder de mond – maar hij wijst op de fysieke overeenkomst van Rembrandt met zijn eigen vader: de bobbelige neus en de hangende ogen. Hoe Rembrandt eruitzag, weten we van de honderden zelfportretten die hij maakte.

Ik heb hem ook een vader-zoonconflict cadeau gedaan, zegt Typex, met Titus. Zelf had Typex het ook moeilijk met zijn vader, maar dat kwam goed toen hij een dochter kreeg. Die wilde haar opa zien. Rembrandt is als vader een hork. De arme, onhandige Titus moet het steeds ontgelden. In de laatste scène tussen hen kon hij er niet meer tegen. Dus laat hij Rembrandt beminnelijk reageren op een nieuwe flater. Hij zegt tegen Titus: het is goed jongen.

Over de dochter van Rembrandt, Cornelia, was weinig bekend. Dus heb ik dit meisje als beeld gekozen, zegt Typex, terwijl hij wijst naar een foto die bij hem in de keuken aan de muur hangt. Zijn eigen dochter. Hij glimt zoals trotse vaders glimmen. En de Italiaan die in het boek bij Rembrandt op bezoek komt, de rijke en beroemde kunstverzamelaar Cosomo de Medici, kreeg het gezicht van haar vriendje. Typex grijnst breed. Zoals het verhaal zich opdringt door de geschiedenis, zo drong deze Italiaan zich ook aan mij op, zegt hij. De dikkerd die De Medici begeleidt, is een jongen die bij het vriendje in de pizzeria werkt.

Het is meer dan een knipoog, zegt Typex, de verwijzingen naar de eigen tijd en de herkenbare gezichten – van Joost Swarte, van andere collega’s in de kroeg. Hoe Uylenburgh potentiële klanten ontvangt met een wijntje, hoe Rembrandt tegen De Medici zegt dat hij moet opsodemieteren, omdat hij alleen maar schilderijen met lekkere wijven en mooie kleurtjes zoekt, hoe Jan Lievens als een gehaaide marketeer zijn klanten inpalmt: dat is een parallelle wereld. Daarin tref je zijn commentaar op de hedendaagse kunstmarkt. Het maakt het verhaal tijdloos.

Elk hoofdstuk in het boek wordt gezien vanuit een ander perspectief, meestal vanuit mensen die in die fase van zijn leven bepalend zijn voor Rembrandt. Vanuit zijn Leidse schildersvriend Jan Lievens, zijn vrouwen, zijn kinderen, maar ook vanuit een olifant, die dient als entertainment en een rat, dodelijke pestdrager. Veel sterfgevallen. Ja, het was moeilijk om het boek upbeat te houden. Hij zocht het in de afwisseling van gezichtspunten en tekenstijlen.

In de kleurstelling doet Typex geen concessies. Het boek is overwegend donker van toon en bevat een ruime variëteit aan bruintinten. Je kan geen boek over Rembrandt in paars en geel maken, zegt hij, schouderophalend.

Zijn illustraties maakte Typex, befaamd als tekenaar van rocksterren, altijd met penseel, maar dit boek is geheel getekend met een potloodje. Met potlood kon hij meer zoeken en aftasten. Dat komt overeen met Rembrandts etsen en grafiek. Die zijn vrijwel nooit in één lijn. Ook de schilder is een zoeker in zijn werk.

De inkleuring gebeurde met Photoshop. Het is niet Rembrandts palet, maar hij blijft wel in de buurt, met een ingehouden kleurstelling. Hij heeft alle kleuren nog eens in sterkte teruggeschroefd. Dat kan op de computer. Elk hoofdstuk heeft vaak één sfeer, als in een kort verhaal. Bovendien gebruikt hij schaduw. Dat geeft plasticiteit, ruimtelijkheid.

Met Photoshop kan hij trucjes, zodat je niet ziet dat het digitaal werk is. Er zit een ‘papierlaag’ over de tekeningen, transparant en korrelig. Hij trok er ook lichte beschadiging overheen, witte streepjes, zodat de tekeningen niet dat egale houden.

Fonkelen

En dan dat licht: wat te doen met een schilder die kon toveren met licht? Rembrandt liet de verf fonkelen, zegt Typex. Fonkelen is een sleutelwoord. In de Nachtwacht zie je goed hoe hij experimenteert met licht, bijna surrealistisch.

Het licht gaf hij een eigen rol, het speelt bijna als personage mee. In het hoofdstuk dat gewijd is aan Hendrickje Stoffels loopt het licht met haar mee. Typex legt het uit. Eerst verkoopt ze schilderijen van Rembrandt, haar liefde en haar baas. Dan komt het licht van buiten. Als de klanten weg zijn, is ze zakenvrouw af. Staat ze in een heilig licht, terwijl ze een bezem vasthoudt. Weer de huisvrouw. In daglicht doet ze de dagelijkse dingen. Als ze de kip de nek omdraait en in de oven stopt, zie je haar vanuit het vuur, hels verlicht. Bij haar bezoek aan de kerk staat ze in het duister, in één dun straaltje, want daar is ze een ander persoon: voor kerk en maatschappij een gevallen vrouw, ongetrouwd samenwonend, hoer. Dan loopt ze naar buiten en jubelt het licht. Duiven omringen haar.

De Nachtwacht deed hij in het begin van het boek, dan heb je dat gehad. Terloops, als een toevallige samenscholing van mensen. De compositie trok hij over. Sowieso deed hij dat bij elk schilderij dat langskomt. Dat alles op zijn plek staat. Hij is niet gek. Als je de compositie verstoort, dan is het Rembrandt niet meer. De specialisten zullen nog genoeg commentaar hebben op zijn vrije interpretatie.

Wat hij met Rembrandt gemeen heeft, is de weigering vrouwen te verfraaien. Rembrandt werd ervan beschuldigd dat hij geen mooie vrouwen kon tekenen. Typex schampert. Dat kon hij natuurlijk als de beste, maar hij verdomde het. Elke mooie vrouw heeft iets wat afwijkt. Perfectie is saai.

Typex hekelt de te mooie vrouwen in de doorsnee strip. Dan kijk je niet naar een lekker wijf, maar naar een alien, een masturbatiefantasie van puisterige jongens. Ja, Hendrickje heeft de tekenaar in zijn boek als aantrekkelijk voorgesteld, want die zal mooi zijn geweest. Ze was jong, eind twintig, en die ronde wangetjes staan haar goed.

Op schilderijen zag hij Saskia proesten. Proesten komt uit jezelf, dat kun je niet faken. Dan moet ze geweten hebben wat vette lol is. Misschien maakte haar vrolijkheid iets in die stugge jongen los. Lagen ze samen dubbel.

Bij hun eerste ontmoeting in het boek zien ze elkaar in een spiegel. Hij kijkt stiekem. Ze herkennen iets in elkaar, iets wat onuitgesproken blijft. Dat bedenk ik niet, zegt hij, zo ontstaat het boek. Organisch.

Saskia is wat lompig, maar Typex heeft haar gecombineerd met de trekken van Kate Winslet, ook een vrouw met meerdere gezichten. Hij vindt haar een prachtmeid.

Rembrandt past bij hem. Hij tekent realistisch, maar niet kaal, juist barok en schilderachtig. Dat zie je niet veel bij andere Nederlandse tekenaars.

Ik teken van binnenuit, zegt Typex, vanuit de emotie. Ja, wat bedoel ik daarmee, zegt hij. Strips hebben hun eigen jargon, een scala aan staande uitdrukkingen, die fungeren als verkeersborden. Fronsende wenkbrauw = verbazing. Terwijl mensen hun emoties juist onwillekeurig tonen. Die subtiliteit, dat onnadrukkelijke, probeert hij te vangen. Dus hebben de personages niet steeds hetzelfde gezicht.

Dat zijn boek fenomenaal geslaagd is, hoort hij graag zeggen. Dit is een belangrijk moment in zijn leven. Vijftig jaar en zijn grootste werk tot nu toe, ook verschijnend in het Engels en Spaans. Kampend met een schuld van 12.000 euro. Want hij zou er eerst maar een jaar aan werken. Het Rijksmuseum betaalde een deel, het Mondriaan Fonds een deel, zijn uitgever, De Bezige Bij, gaf een voorschot. Toen het werk langer duurde, kreeg hij wat extra, maar het werd toch armoe troef.

Het trekt wel weer aan. Hij leeft wel vaker met grote schulden. Hebben veel tekenaars. Hij surft mee op de publiciteitsgolven rond het Rijks. Vrijdag was de verschijning van zijn boek een item op het Journaal. Als dit boek toch eens een hit werd.

Dat Rembrandt berooid stierf, is een hardnekkige mythe. Daar stopt ook de vergelijking. Hij kan beter met geld omgaan. En, zegt hij, ik heb geen 28 marmeren bustes.

Typex’ Rembrandt. Uitgeverij Oog & Blik / De Bezige Bij, 240 pagina’s. € 24,90.