Een quasiverbod op wiet

De regulering van de wietconsumptie in Nederland gaat een nieuwe en wederom tamelijk verwarrende fase in. Staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, PvdA) stelt de Kamer voor om de Opiumwet zo te wijzigen dat cannabis met een hoger THC-gehalte dan 15 procent voortaan als harddrug zal gelden. Tetrahydrocannabinol is de belangrijkste werkzame stof in wiet. De gemiddelde sterkte varieert van 15 tot 18 procent. Het is te koop van 8 tot 25 procent.

Daarmee meldt het kabinet zich voor het eerst met regels aan de achterdeur van de coffeeshop. Tot nu toe beperkte de bestuurlijke ambitie zich tot de voordeur: de koper, de handelaar en de klant. Dit alles volgens de paradox dat consumptie en bezit van beperkte hoeveelheden wiet toegestaan is, terwijl teelt en groothandel verboden blijft. Anders gezegd: verkopen mag, inkopen niet. Een unieke aanpak. Waar die wiet dan vandaan komt bleef juridisch taboe en bestuurlijk buiten zicht. De wetgever beperkt zich tot grenzen aan de leeftijd en de nationaliteit van de klant, de locatie van de coffeeshop, de maximale handelsvoorraad, de marketing en het assortiment.

Het bracht rechters af en toe tot uitspraken waarin het vervolgen van coffeeshops die te grote voorraden aanhielden steeds vaker als onredelijk werd gezien. De boodschap uit de rechtszaal is dat hoe meer de overheid reguleert hoe kleiner de kans is op schade aan de rechtsorde, als elders in die cannabisketen regels worden overtreden. Taboes sneuvelen nu eenmaal, meestal als gevolg van gezond verstand. Als melk kopen en drinken mag, is de boer die de koe melkt toch niet écht meer een crimineel te noemen. Nu is dus het vetgehalte aan de beurt.

Met een steeds preciezer gedoogbeleid holt de overheid aldus het quasiverbod op wiet uit. Dat zal erger worden nu de overheid zich ook met het product zelf gaat bemoeien. Een precieze bepaling van het THC-gehalte moet ook praktisch haalbaar en voor de handel toegankelijk zijn. Daaraan zijn twijfels – alleen het Nederlands Forensisch Instituut zou nu beschikken over de vereiste apparatuur.

Het blijft intussen de vraag of het in de afgelopen jaren inderdaad toegenomen THC-gehalte een bruikbare maatstaf is om schade door cannabis te meten. Dat is wetenschappelijk nog niet bewezen. Mogelijk is de grotere verslavingsproblematiek en de stijging van het aantal hulpvragen te wijten aan andere chemische componenten van cannabis dan THC.

Hoe het ook zij: nu de overheid de samenstelling van het product wil reguleren, kan het niet langer doen alsof de teelt zich ergens in de vierde dimensie afspeelt. Dan wordt het behalve voor gedoogde handelaren ook tijd voor gedoogde telers. Met een pasje, een keurmerk en een Rijks THC-meter.