Ik wil de intimiteit verkennen

Alles wat een schrijver is zit in zijn stijl, vindt Oek de Jong. Veertig jaar lang werd zijn bestaan beheerst door levensangst. Dit is wat hij van het leven weet – tot nu toe.

De ochtendzon schijnt Oek de Jongs werkkamer binnen en zet de boekenkasten in een warme gloed. Dicht bij zijn bureau staat de Nederlandse literatuur, verderop de buitenlandse. Baudelaire, Flaubert, Stendhal, Zola. Bellow, Philip Roth, Salinger, Updike.

Dat er geen vrouwen onder zijn grote voorbeelden zijn ontkent hij. „Madame de La Fayette”, zegt hij. „La Princesse de Clèves.” Hij staat op om het boek te zoeken en zegt intussen dat het de eerste moderne, psychologische roman is – uit 1678. Andere schrijfsters die hij bewondert: Emily Brontë, Maria Dermoût, Marguerite Yourcenar. Vonne van der Meer leest hij ook graag. „Tegen haar heb ik in 1980 al gezegd dat vrouwen nu de kans moesten grijpen om hun stem in de literatuur te laten horen.” Volgens hem zijn er voor vrouwen in de literatuur geen barrières meer.

Des te opmerkelijker dat „80 procent van de romanproductie” door mannen wordt gedaan en dat op de shortlists van de literaire prijzen dus ook dit jaar weer bijna alleen maar mannen staan. Hij heeft er geen verklaring voor. Wel weet hij dat hij zich bij zijn eigen keuzes „alleen door kwaliteit” laat leiden.

■„De schrijver met wie ik op het moment veel verwantschap voel is Jonathan Franzen. En dan vooral met zijn romans The Corrections en Freedom. Franzen is heel Amerikaans, zoals ik heel Nederlands ben, maar in principe doen we hetzelfde. Hij schrijft familiegeschiedenissen en dat doet hij zo nauwkeurig dat hij daarmee, paradoxaal, een beeld van de Amerikaanse samenleving creëert. In Pier en oceaan laat ik het naoorlogse Nederland zien door me te richten op het gezin van Lieuwe Roorda en Dina Houttuyn, waarbij ik er geen geheim van maak dat ik hen gemodelleerd heb naar mijn ouders – zoals ik Abel Roorda, de hoofdpersoon, gemodelleerd heb naar mezelf. De verkenning van de intieme verhoudingen – voor de romanschrijver liggen dáár, na de seksuele revolutie van de jaren zestig, de grootste mogelijkheden.”

■„De ontwikkeling van het bewustzijn in Europa kun je aflezen aan de romanliteratuur en dat is wat me zo mateloos interesseert in het genre. Ik geloof niet in het einde van de roman, integendeel. De roman evolueert nog steeds. In de Oudheid werd niet over intimiteit geschreven. Als Plato beschrijft hoe Socrates, voor het leegdrinken van de gifbeker, een bedroefde leerling over zijn haar streelt, dan is dat uitzonderlijk. Intimiteit is het meest nabije, maar in de literatuur lange tijd niet getoond. De literaire codes stonden het niet toe. Zelfs in Buddenbrooks van Thomas Mann, toch een van de eerste grote familiegeschiedenissen uit de moderne literatuur, wordt betrekkelijk weinig van het intieme leven van de personages beschreven. De grote openhartigheid is begonnen in de jaren 60, maar vergelijk het eens met wat ik nu in Pier en oceaan kan laten zien – dat gaat zo veel verder. Ik beschrijf de eigenschappen van Abel Roorda, maar ook waar ze in familiale zin vandaan komen. Waarom is die jongen zoals hij is? Nu pas zijn schrijvers bijvoorbeeld in staat om te onthullen hoe het rampzalige patroon van depressies van generatie op generatie wordt doorgegeven – en het daarmee misschien wel te doorbreken.”

■„In mijn eigen leven heb ik dat patroon van depressies weten te doorbreken en dat komt vooral door de liefde. Ik ben nu twintig jaar met Jeanne en dat is de grote switch geweest. Ook heb ik drie jaar lang – voordat ikJeanne leerde kennen – goede psychotherapie gehad. De problematiek zat voor mij in de verbinding met de buitenwereld. Bijna elk contact, elke aanraking met anderen was voor mij pijnlijk. Veertig jaar lang ben ik beheerst door levensangst. Het is ongelooflijk dat het nu weg is. Zoals ik het ook ongelooflijk vind dat het me gelukt is om te stoppen met roken – op mijn vijfendertigste, van het ene op het andere moment. Soms had ik twee sigaretten tegelijk branden, één in de asbak en één in mijn mond. Mijn geliefde in die tijd, een prachtig mooi meisje van vijfentwintig, zei tegen me dat het vrijen nog lekkerder zou worden als ik ermee zou stoppen. Ze had gelijk. Daarna pas proefde ik de honingzoete smaak van haar mond. Overigens heb ik toen zes maanden lang niet kunnen schrijven.”

■„De stijl is de fysionomie van de geest, schreef Schopenhauer en zo zie ik het ook. Alles wat een schrijver is en alles wat hij te bieden heeft, zit in zijn stijl. Hij moet schrijven uit innerlijke noodzaak en daarmee geeft hij een beeld van wat er in hemzelf leeft. Zoals Ezra Pound schreef: a poet should build us his world. Dat is de opdracht van elke schrijver. Waarom zou een lezer daarin geïnteresseerd zijn? Allereerst moet de schrijver zijn uiterste best doen om de lezer te boeien, te verleiden, te epateren – door zijn stijl. Daarom is het zo jammer dat zo veel schrijvers zich tegenwoordig menen te moeten beperken tot korte zinnen. Ze zien niet hoe weinig gebruik ze maken van het enorme stilistische repertoire dat hun ter beschikking staat. Een opeenvolging van korte zinnen kan geschikt zijn voor een column, maar een roman wordt er onleesbaar door. Het verhaal in de roman is natuurlijk ook van belang, maar alles draait om de manier waarop het wordt verteld, dus om stijl en visie van de schrijver. Uiteindelijk is het de lezer die oordeelt. De lezer geeft de schrijver als het ware toestemming om zijn wereld te bouwen en zichzelf te tonen door zijn werk te kopen en te lezen.”

■„De titel van een boek móét goed zijn – zeker als je er zeven jaar aan gewerkt hebt. Het is een enorme psychische en fysieke investering, en als je het resultaat onder de verkeerde naam de wereld instuurt, sleep je dat voor de rest van je leven met je mee. Met mijn vorige roman, Hokwerda’s kind, kwam ik in de situatie dat ik op het allerlaatste moment geen titel had. Ik stond met mijn rug tegen de muur. Bij Pier en oceaan dacht ik: dat moet me niet nog een keer gebeuren. Een jaar voor het einde ben ik al begonnen aantekeningen te maken. Ik wilde een epische titel, want het ging om een epische roman. Pier en oceaan was de eerste titel die ik noteerde, daarna volgden er nog tientallen. Uiteindelijk kwam ik toch weer met mijn rug tegen de muur te staan omdat ik de goede titel er voor mijn gevoel niet bij zat. Hoe een roman moet heten, weet ik pas als ik hem min of meer heb voltooid. Het maakte me wanhopig. Mijn uitgever zat achter me aan en belde me zelfs vanuit Nigeria: als je nu niet weet hoe de roman moet heten kunnen we niet verder. Jeanne en ik waren in Frankrijk en op een avond zei ik: zal ik mijn lijstje met titels even voorlezen? Bij de eerste zei ze: dat is hem. De andere titels ben ik allemaal vergeten.”

■„Ik ben ooit geïnteresseerd geweest in de Griekse betekenis van het woord kosmos: een geordend geheel. Nu kom ik bij een ander thema in mijn werk en dat is heelheid. Vraag me niet om het uit te leggen, dat wordt me te ingewikkeld. Laat ik er dit over zeggen: in die tijd, jaren 80, lag ik aan stukken. Ik raakte geobsedeerd door het schilderij Pier en Oceaan van Mondriaan uit 1915. Het is een ovaal beeld met horizontale en verticale lijnen, zwart op een witte achtergrond. Een zeer kosmisch werk. De projectie van de aarde op een plat vlak is ook ovaal. Ik had het plan opgevat om een essayboek te schrijven over zeven schilderijen die ik had uitgekozen – Pier en Oceaan was er een van. Het is er nooit van gekomen, maar mij verbaast het niet dat heelheid en het tegendeel daarvan in deze roman een thema zijn geworden. Abel voelt zich aangetrokken tot plekken die aan de rand liggen, aan de rand van de dood: de strekdam bij het Sas waar de getijdenstroom langs kolkt, de paalhoofden bij Domburg, ten slotte de rotskapen in Finistère. Je houdt rekening met de mogelijkheid dat hij over die rand zal stappen.”

Op 6 mei wordt duidelijk of Oek de Jong de Libris Literatuurprijs wint