Hoe cruciaal is onwetendheid?

Wie over de Holocaust schrijft, krijgt kritiek. Volgens Jaap Cohen is het twistpunt elk keer weer: zou het anders zijn gelopen als we van de gaskamers hadden geweten?

De Hollandse Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam was de laatste verzamelplaats voor Joden. Foto ANP

Onlangs hoorde ik op de radio publicist Rutger Bregman beweren dat de geschiedwetenschap een ivoren toren is. Dat historici hun gortdroge publicaties slechts schrijven voor een handjevol collega’s aan de universiteit en vijf Japanners. Met groeiende verbazing luisterde ik naar Bregmans betoog. Blijkbaar was hem ontgaan dat de afgelopen maanden in de kolommen van De Groene Amsterdammer, op websites en blogs een ware Historikerstreit heeft gewoed: een emotioneel geladen debat waarin twee groepen historici een verzameling feiten en data zo fundamenteel verschillend interpreteerden, dat ze lineair tegenover elkaar kwamen te staan. Beschuldigingen en bewoordingen als ‘kwaadaardig’, ‘speculatief’, ‘banvloeken’ en ‘vergiftiging van het debat’ werden over en weer geslingerd – geen saai academisch onderonsje.

Steen des aanstoots was het vuistdikke, goed geschreven en veelgelezen boek Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust. van de Leidse historicus Bart van der Boom – een studie over de rol van ‘gewone Nederlanders’ in de oorlog. Vaak is gezegd dat zij medeschuldig zijn aan het hoge aantal Joden (75 procent) dat in Nederland tijdens de bezetting is omgekomen. Het is inderdaad een feit dat niet-Joodse Nederlanders voor het merendeel weinig hebben gedaan om hun Joodse buren te helpen. De vraag is natuurlijk: waarom niet? Deden de grootschalige Jodendeportaties hun niets, of waren ze de Joden eenvoudig liever kwijt dan rijk? In dat geval zouden deze ‘gewone’ Nederlanders simpelweg ‘monsters’ zijn geweest, aldus Van der Boom. Hij vraagt zich af of er niet een andere verklaring mogelijk is.

Van der Boom las 164 oorlogsdagboeken. Op basis hiervan trok hij drie conclusies. Allereerst stelde hij vast dat de dagboekschrijvers en masse anti-Duits waren en niets van de Jodenvervolging moesten hebben. Dit wil niet zeggen dat er geen antisemitisme bestond, maar zelfs mensen met sterke antisemitische gevoelens keurden de deportaties naar Oost-Europa niet goed. Van der Booms tweede conclusie gaat over de kennis van tijdgenoten over de Holocaust. Hij stelt dat mensen wisten dat de Joden in het oosten een verschrikkelijk lot wachtte, maar dat niet duidelijk was wat dit lot precies inhield. De Joden zelf wisten al nauwelijks wat er zou gebeuren, dus niet Joden wisten dat al helemaal niet.

Foute inschatting

De derde conclusie van Van der Boom is dat het ontbreken van kennis over het bestaan van de gaskamers cruciaal is als je het gedrag van gewone Nederlanders in bezettingstijd wilt verklaren. Als je Joden liet onderduiken, was er een gerede kans op ontdekking. Als de Joden het regime zouden gehoorzamen, zou hun in Oost-Europa een loodzwaar lot wachten, maar wel één met kans op overleving. Gewone Nederlanders waren volgens Van der Boom dus geen monsters, maar ze hebben het concrete gevaar van deportatie te laag ingeschat. Als ze over de gaskamers hadden geweten, zouden ze anders hebben gehandeld.

Van der Booms kreeg veel lof van vakgenoten en in dagbladen en ook de Libris Geschiedenis Prijs 2012. Hij had, zo leek het, voorgoed een einde gemaakt aan ‘de mythe van de schuldige omstander’. Maar toen verscheen een artikel van NIOD-historici Remco Ensel en Evelien Gans in De Groene Amsterdammer. Zij uitten fundamentele kritiek op het ‘oppervlakkige’ betoog van Van der Boom. Vanaf dat moment was het hek van de dam: Ensel en Gans werden gevolgd door vakgenoten van naam, en een stoet aan ingezonden brievenschrijvers.

Waarmee hebben Van der Booms tegenstrevers moeite? Twee hoofdargumenten keren steeds terug. Ten eerste vinden ze dat Van der Boom te grote waarde hecht aan de dagboeken als historische bron. Het feit dat veel dagboekschrijvers niets over gaskamers schreven, hoeft immers niet per se te betekenen dat zij onwetend waren. Het zou ook goed kunnen dat ze bepaalde kennis verdrongen. Ga maar na: als je op straat getuige bent van een misdrijf maar niet durft in te grijpen, dan is het heel lastig om je eigen laakbare gedrag tegenover jezelf te verantwoorden – laat staan dat je in je dagboek erover gaat schrijven. Je denkt er liever niet te veel meer over na.

Er is nog een sterk punt van kritiek. Van der Boom lijkt zeker te weten dat de niet-Joden anders zouden hebben gehandeld als zij van de gaskamers hadden geweten. Maar dat is zeer de vraag. De stelselmatige vernedering van en maatregelen tegen Joden hebben veel gewone Nederlanders er niet toe bewogen een helpende hand toe te steken. Hoe weet Van der Boom dan zo zeker dat kennis over de gaskamers een essentieel verschil zou hebben uitgemaakt? Zouden de niet-Joden dan opeens wel bereid zijn geweest risico’s te nemen? Hier is sprake van what if history, en die kun je onmogelijk hard maken.

Van der Boom verweert zich tegen de kritiek door te zeggen dat zijn critici niet goed kunnen lezen: in zijn boek heeft hij namelijk wel degelijk geschreven dat je met dagboeken als historische bron moet oppassen, en dat de onwetendheid over de gaskamers geen ‘afdoende’ verklaring is voor het gedrag van de gewone Nederlander in oorlogstijd. Maar tegelijkertijd zijn de dagboeken vrijwel de enige bronnen waarop hij zijn betoog baseert en is zijn hele boek juist erop gericht om te bewijzen hoe ‘cruciaal’ de onwetendheid over de Holocaust was.

Nu de stofwolken zijn opgetrokken is de vraag wat deze Nederlandse Historikerstreit ons heeft gebracht. Van der Boom heeft voor een groot lezerspubliek aangetoond dat het van belang is te onderkennen dat mensen niet precies wisten wat de Holocaust inhield. Maar hij heeft niet kunnen overtuigen dat het ontbreken van deze kennis de ontbrekende kabel is in de intrigerende vraag waarom gewone Nederlanders zo weinig hebben ondernomen tegen de Jodenvervolging. Om die vraag te kunnen beantwoorden zijn veel andere factoren van minstens even groot belang, zoals bijvoorbeeld de mate van gezagsgetrouwheid, de beïnvloeding door jarenlange propaganda van de nazi’s en de angst voor represailles.

Monster

Zo zijn we dus toch weer terug bij die academische traditie van het geven van genuanceerde antwoorden op gecompliceerde vragen. Maar om daartoe te komen was er wel eerst een debat nodig op het scherp van de snede – een debat dat écht ergens over ging, namelijk over de kwestie op welk moment gevoelens van afkeuring worden omgezet in daadwerkelijke actie. Dat is een universeel vraagstuk, waarmee wijzelf elke dag te maken hebben: bijvoorbeeld als we in de krant lezen over het grootschalige armoedeprobleem in derdewereldlanden, of over de humanitaire ramp die zich in Syrië voltrekt. Het is ook een tijdloos vraagstuk, dat is terug te voeren op het mensbeeld dat je bezit. Van der Boom heeft een optimistisch beeld van de mens: als gewone Nederlanders ‘het’ zouden hebben geweten, hadden ze wel anders gehandeld. Ikzelf denk dat zijn boek juist het tegenovergestelde bewijst, namelijk dat veel mensen per definitie terugdeinzen om anderen te helpen als dat voor henzelf grote risico’s met zich meebrengt – hoe verschrikkelijk het lot van die anderen ook is. En daarvoor hoef je niet per se een ‘monster’ te zijn. Het is misschien een huiveringwekkende conclusie, maar wel één die er ook buiten de ivoren toren van de wetenschap toe doet.

Jaap Cohen (1980) werkt bij het NIOD aan een proefschrift over de familie Jessurun d’Oliveira-Rodrigues Pereira.