Call girl X

De call girls vliegen me om de oren. Ik las Speler X, waarin een voetballer genaamd Guy na afloop van de wedstrijd een prostituee krijgt aangeboden van zijn team. Hij rent weg, want hij heeft een vriendin. Maar zijn pa zegt dat hij zich niet moet aanstellen. Spoedig daarna gaan de remmen los en raakt hij verslingerd aan callgirls en cocaïne.

Speler X is een voetbalroman over ‘de achterkant van de voetbalwereld’. In het nawoord staat dat niemand over die achterkant van de voetbalwereld durft te schrijven, maar dat die invloed heeft op de sport. Speler X wil zelf anoniem blijven en vroeg zijn raadsman het boek door een schrijver te laten vervolmaken – dat werd de Vlaamse schrijfster Sylvie Marie.

Omdat ik van dit soort raadseltjes houd, fietste ik naar uitgeverij Podium. Daar stuitte ik op de uitgever Joost Nijssen: „Wie is speler X?” Hij vertelde dat hij het ruwe manuscript onder ogen had gekregen via de advocaat van de speler en het zelf ook niet wist. „Kom, Joost”, zei ik streng. „Je kunt je geen Patricia Perquin veroorloven, zoiets zoekt een goede uitgever even uit.”

Hij vertelde dat hij Patricia Perquin – de zich prostituerende journaliste die nogal wat aangedikt en verzonnen bleek te hebben – aangeboden had gekregen via Het Parool maar toen hij Perquins hijgerige stem aan de telefoon had gehoord, meteen besloten had het niet te doen. Wat Speler X betreft: het gaat hem niet om de sensatie of om een graantje mee te pikken uit recente Andy van der Meijde-achtige successen. Misprijzend: „Vroeger stond Harry Mulisch op het boekenbal, en nu staat René van der Gijp daar als schrijver.”

Net als bij Daphne de Boers De laatste vlucht (‘roman gebaseerd op waarheid’ over verkrachting door zoon van Gaddafi), vraag je je af wat onthullende bekentenisliteratuur in romanvorm precies waard is, als het meest schokkende ‘feit’ uit het boek – een grootscheeps VIP prostitueenetwerk voor bekende politici, ambtenaren en sporters – vooral als smeuïg wordt opgediend en even goed verzonnen kan zijn.

En toen zag ik de meesterlijke film Call Girl. Deze op feiten gebaseerde Zweedse fictiefilm gaat over een escortbureau dat minderjarige meisjes ronselde voor onder meer topambtenaren. Gesuggereerd wordt dat de vermoorde Zweedse premier Olof Palme tot de clientèle behoorde. Dat is een pittige suggestie, en de Zweden werden dan ook boos. Nu zeggen de filmmakers om zich in te dekken dat alles verzonnen is, terwijl het tegelijkertijd ook op feiten is gebaseerd. Call Girl laat zien hoe krachtig fictie kan zijn om de waarheid te onderzoeken, om interpretaties te bieden en om datgene wat in een lade verdwijnt af te stoffen.

Na het zien van Call Girl blijf je verbluft achter over die achterliggende geloofwaardige waarheid waarop deze film is gebaseerd: minderjarige meisjes die geronseld werden, politici die buiten schot bleven. Dus dat kán, met fictie. Als Speler X een soortgelijke grimmige waarheid over de ‘achterkant van de voetbalwereld’ wil tonen, dan werkt het publicitair amusementsspel (‘wie is speler X’?) ten nadele – het is te plat. Nijssen spreek misschien wel de waarheid: hij weet niet wie het is, en misschien bestaat speler X wel helemaal niet. En als dat niet het geval is, dan neemt men ‘de achterkant’ niet serieus genoeg. Call Girl laat zien dat de handel in call girls misschien voor voetballers en politici een amusementsspel is, maar zeker niet voor de call girls.

Filosoof, schrijver en tv-maker Stine Jensen schrijft elke dinsdag over media, populaire cultuur en hypes.