Brautigam met intieme Brahms

Klassiek

Ned. Symf. Orkest/ J.W. de Vriend. Gehoord 4/4 Zwolle, herh:13/4 R’dam***

Er zijn twee theorieën over de historische ontwikkeling van de piano. De ene zegt dat piano’s gebrekkige instrumenten waren die pas in de tijd van Rachmaninoff hun volmaakte, moderne vorm bereikten. De andere zegt dat piano’s zijn meegegroeid met veranderende wensen en in elke tijd iets unieks te bieden hadden.

Ronald Brautigam is een aanhanger van de tweede theorie. Al jaren bespeelt hij zowel de moderne Steinway als oude instrumenten. Bij het Nederlands Symfonie Orkest soleert hij nu in Brahms’ Eerste pianoconcert (1858) op een fortepiano uit 1847.

Die keuze is niet zonder gevaren. Het instrument ontstemde al in het eerste deel en had onvoldoende kracht het orkest in onstuimige passages weerwoord te geven. En toch was de uitvoering verrassend. Met een dunne, ontwapenend heldere toon bereikte Brautigam zeldzame intimiteit op momenten waarop Steinway’s vaak dramatisch of zwaar klinken. Ook begeleidingsnoten, op moderne vleugels vaak gemeen opzwellend, klonken vol en transparant tegelijk. Een zo subtiele, huiselijke Brahms hoor je maar zelden.

In zijn lezing van Mendelssohn’s Italiaanse Symfonie (1832/1833) onderstreepte Jan Willem de Vriend de dogma’s van de oude muziekbeweging. Hoge, metronomisch strakke tempi lieten de musici weinig ruimte voor gulle cantilenen.

Een ‘neutrale’ toon won het van een warm, menselijk geluid. En dat terwijl Mendelssohn met zijn beroemdste compositie de ‘hoogste levensvreugde’ wilde verklanken.