Offshore belasting ontduiken

Als het goed is, staat de wereld binnenkort een lange stroom van informatie te wachten over belastingparadijzen en hun al dan niet tijdelijke bewoners. Een computer met daarop meer dan 2,5 miljoen bestanden over 120.000 offshore (buitengaatse) bedrijven in belastingparadijzen over de hele wereld is in handen gevallen van het ICIJ, een internationaal consortium van onderzoeksjournalisten. De eerste onthullingen zijn er al, van een Mongoolse minister van Financiën en een adviseur van de Franse president Hollande tot de dochter van de voormalige Filippijnse dictator Marcos. Er zullen er onvermijdelijk vele volgen.

De kwestie werpt, ten overvloede, licht op de schaduwzijde van de globalisering. Terwijl het snelle geld van de financiële markten moeiteloos over de aarde zwermt, producten van over de hele wereld overal verkrijgbaar worden en internationale productieketens bruggen slaan tussen de continenten, is het belastingstelsel nog steeds zeer gefragmenteerd.

In dit onoverzichtelijke woud van wetten, regelingen, verdragen, tarieven en afspraken kan geld, dat eigenlijk belast had moeten worden, zich makkelijk verschuilen. Soms is dat legaal, onder de noemer ‘wat niet verboden is, dat mag’. Vaak is, naast eufemismen als ‘ontwijking’ of ‘optimalisering’, sprake van regelrechte ontduiking.

Begin dit jaar berichtte de OESO, de club van industrielanden, dat multinationale ondernemingen gemiddeld 5 procent vennootschapsbelasting betalen, terwijl het aan het thuisland gebonden midden- en kleinbedrijf gemiddeld 30 procent betaalt. Het stelsel van internationale verdragen, oorspronkelijk bedoeld om te voorkomen dat internationaal opererende bedrijven dubbele belasting betalen, heeft maar al te vaak geresulteerd in een praktijk waarbij bedrijven vrijwel geen belasting afdragen. Nederland is in dit soort constructies trouwens een bekende en lucratieve schakel.

De internationale gemeenschap gaat hier opvallend passief mee om. Als er via een geheugenstick of dvd wordt gelekt dan wordt daar weliswaar opvolging aan gegeven, maar van actief gemeenschappelijk beleid is weinig sprake. Intussen dreigt een uitholling van de belastinggrondslag, als niet voor coördinatie wordt gekozen maar voor belastingconcurrentie.

Het aanpakken van verre eilandjes vol met trusts is daarom slechts een eerste stap. Belangrijker is het bereiken van een gelijk internationaal fiscaal speelveld, waar constructies en routes minder lonend worden. Dat klinkt idealistisch en is moeilijk haalbaar. Maar dat wil niet zeggen dat er in deze geglobaliseerde wereld niet naar gestreefd moet worden.