Bent u oud en rijk? Dan gaat u meer betalen

Gepensioneerden gaan de lang gevreesde pen- sioenkorting deze maand echt voelen. Maar er zijn meer zorgen. Den Haag ontdekt de portemonnee van de rijke oudere. Terecht of niet?

Illustratie Rhonald Blommestijn

Uniek en omstreden. Deze maand gaan 68 van de meer dan 400 pensioenfondsen in ons land korten op de uitkering. Het is een maatregel waar vóór het begin van de crisis eigenlijk niemand over nadacht – of durfde na te denken. Ons pensioen, dat was het Zwitserlevengevoel. Goed geregeld, veilig én gegarandeerd. Niet dus.

Precies aan dit gevoel appelleert de politieke partij 50Plus. „De rekening van de financiële crisis wordt nu onomstreden voor een groter deel bij ouderen neergelegd dan bij jongeren”, zegt fractievoorzitter Henk Krol.

Cijfermatig lijkt hij misschien gelijk te hebben: gepensioneerden gaan er dit jaar meer op achteruit dan werkenden en uitkeringsgerechtigden. Zij leveren volgens de laatste ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) 2,3 procent aan koopkracht in. Werkenden maar 0,8 procent.

De verslechtering van de bestedingsruimte van ouderen komt voor een belangrijk deel door die kortingen op het aanvullend pensioen die de pensioenfondsen deze maand doorvoeren. In totaal gaat het om een verlaging van de uitbetaalde pensioenen met 225 miljoen euro op jaarbasis.

Maar daar blijft het niet bij. Er komt meer slecht nieuws voor ouderen dat nog niet in de CPB-berekeningen is meegenomen. Om de oplopende kosten van sociale voorzieningen als AOW en zorg te kunnen blijven betalen, moeten met name rijke ouderen meer zelf gaan betalen, menen experts. Het gevolg: hun koopkracht gaat sneller achteruit dan die van andere generaties.

De vergrijzing – de komende decennia komen er 2 miljoen gepensioneerden bij – maakt zorg en pensioen steeds duurder. Gelijktijdig moeten die kosten door een kleinere groep mensen worden betaald. Dat zorgt voor spanning tussen generaties.

Grote vraag: wie betaalt de rekening? Worden ouderen onevenredig gepakt, zoals Henk Krol stelt? Als je enkel naar de koopkrachtplaatjes van dit moment zou kijken wel, zegt Kees Goudswaard, hoogleraar sociale zekerheid in Leiden. Maar er is meer. „Je moet juist naar het hele financiële draagvlak kijken. Het maakt immers nogal wat uit of je als zeventigjarige je huis hebt afbetaald of niet. Maar dat zit niet in die koopkrachtplaatjes.” Volgens hem is bij verdelingsvraagstukken het vermogen van mensen te lang buiten beschouwing gelaten.

Maar dat lijkt nu te veranderen. Het begint tot steeds meer beleidsmakers door te dringen dat het stereotype van de arme oudere niet meer bestaat. Integendeel. Met nog geen 3 procent is het percentage ouderen dat onder de armoedegrens valt lager dan onder werkenden, dat op bijna 5 procent uitkomt. In Europa is er geen land te vinden met een lager percentage. Bovendien zijn ouderen er de laatste jaren harder op vooruit gegaan dan werkenden, blijkt uit cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). Ook zijn 65-plussers gemiddeld kapitaalkrachtiger dan jongeren.

Toch is nog veel beleid erop gericht om ouderen te ontzien, ongeacht hun vermogenspositie. Zo hoeven ouderen, eenmaal AOW-gerechtigd, niet meer bij te dragen aan de AOW, ofwel het staatspensioen. En dat scheelt. 65-plussers betalen door de weggevallen AOW-premie in de eerste twee belastingschijven 17,9 procent minder belasting dan mensen jonger dan 65 jaar. Weliswaar blijven ouderen wel gewoon zorgpremie betalen, maar die premie staat niet in verhouding tot het beroep op zorg.

Maar is het nog wel eerlijk om ouderen te ontzien nu een aantal collectieve voorzieningen, waar met name zij gebruik van maken, door de vergrijzing en de verslechterende economische omstandigheden steeds moeilijker te dragen zijn? Het grootste deel van de kosten voor de pensioenen en de zorg wordt nu opgebracht door een krimpende groep werkenden. Het ministerie van Sociale Zaken heeft becijferd dat nu ongeveer 60 procent van het inkomen van ouderen door jongeren wordt opgebracht. Dat is inclusief het netto profijt dat ouderen hebben van verstrekkingen uit de zorgverzekeringswet en de AWBZ. Waren er vorig jaar nog vier potentieel werkenden die dat gezamenlijk voor één oudere konden ophoesten, door de vergrijzing zullen dat er in 2040 nog maar twee zijn.

Heel langzaam worden daarom ‘rijke’ ouderen ook aangeslagen voor de oplopende kosten. Het is een trendbreuk die verzet oproept bij ouderenorganisaties, al zal iemand met alleen een AOW-uitkering en eventueel een klein aanvullend pensioen weinig merken van de maatregelen. Wie meer te besteden heeft zal het onherroepelijk gaan voelen.

Zo is vanaf dit jaar de eigen bijdrage in de AWBZ opgetrokken naar 8 procent voor mensen met meer dan 20.000 euro spaargeld. Wie in een verzorgingstehuis belandt, wordt bovendien na twee jaar ook aangeslagen op de overwaarde van zijn huis – vermogen dat nu nog grotendeels fiscaal is vrijgesteld. De effecten hiervan zijn door het CPB niet meegenomen in de koopkrachtplaatjes. Ook is in 2011 een eerste stap gezet op weg naar fiscalisering van de AOW. Daardoor gaan ouderen met een bovenmodaal inkomen geleidelijk meebetalen aan het staatspensioen. Deze maatregel – bekend geworden als de ‘Bosbelasting’ – raakt 65-plussers die jaarlijks meer dan 33.436 euro aan AOW en pensioen ontvangen. Voor deze groep wordt de tweede belastingschijf niet meer volledig voor inflatie gecorrigeerd, waardoor men sneller aan het toptarief van 52 procent zit. Oud-staatssecretaris Martin van Rooijen, tegenwoordig voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Organisaties van Gepensioneerden (NVOG) heeft de maatregel inmiddels tot „sluipmoordenaar” omgedoopt en spreekt van „discriminatie” omdat de extra heffing alleen voor 65-plussers geldt.

Koen Caminada, de Leidse hoogleraar empirische analyse van sociale en fiscale regelgeving, wil het eerder omdraaien en spreekt van „het geleidelijk afzwakken van een niet meer te verdedigen belastingvoordeel voor ouderen”. Wel kan hij zich het wantrouwen van ouderen over de maatregel voorstellen. „Door het politieke taboe is de manier waarop dit is vormgegeven ondoorzichtig en sluipenderwijs.” Hij pleit er dan ook voor de fiscalisering sneller en eenvoudiger door te voeren. Nu wordt er afhankelijk van de inflatieontwikkeling nog zo’n 80 à 90 jaar voor uitgetrokken. Volgens Caminada, die het kabinet hierover adviseerde als lid van de commissie Van Dijkhuizen, is het slechts een kwestie van tijd. „Dit ligt moeilijk, maar iedereen die er verstand van heeft ziet dat het moet gebeuren om het stelsel overeind te houden.”

Hoogleraar sociale zekerheid Kees Goudswaard denkt daar ook zo over. Maar hij ziet ook de electorale kracht van de groeiende groep ouderen. Het politieke succes van 50Plus is daarvan het sprekende voorbeeld. De partij staat in de peilingen op 11 zetels. Weliswaar was dat vorige maand nog flink hoger, maar het gaat nog altijd om het vijfvoudige van het aantal zetels dat Krol tijdens de verkiezingen behaalde. „Als de koopkrachtplaatjes te veel uiteenlopen, gaan we ons er druk over maken. Dat zijn politiek-maatschappelijke mechanismen. Dan komt er een tegenbeweging”, aldus Goudswaard. Zo vindt ook de meer gematigde ouderenbond ANBO, dat zich op een aantal punten distantieert van 50Plus, dat de koopkracht van 65-plussers gelijke tred moet houden met die van de totale bevolking. Toch is dat volgens Goudswaard niet bevorderlijk voor het streven de rekening van de vergrijzing én de crisis eerlijk te verdelen. Veel liever zou hij zien dat de discussie niet langs de lijnen jong versus oud wordt gevoerd, maar gaat over rijk versus arm. En in dat geval moet je niet alleen naar inkomen kijken maar, veel meer dan nu gebeurt, naar het vermogen. Goudswaard: „De focus ligt nu eenzijdig op koopkrachtplaatjes en puntenwolken.” Dat is bovendien opmerkelijk omdat de ongelijkheid in vermogensverdeling in Nederland veel groter is dan de ongelijkheid in inkomensverdeling.

Wat dat betreft kunnen rijke ouderen hun borst dus nog natmaken.