Het been weer vastlijmen

De vondst van een los, anoniem lichaamsdeel is een intrigerende zaak. Als er iets is dat Joris van Casterens nieuwe boek Het been in de IJssel bewijst, dan is het dat wel. In dit geval handelt het om een ogenschijnlijk ruw afgerukt linkeronderbeen, dat in de zomer 2005 door een visser nabij Zwolle drijvend in de IJssel werd aangetroffen, ter hoogte van het dorp Wijhe. Uit hoofde van zijn journalistieke arbeid schrijft Van Casteren er een stukje over. Geen nadere bijzonderheden. Onderbeen begraven, klaar uit. Zou men denken.

Zes jaar na de beenvondst meldt de Overijsselse krant De Stentor dat DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat het been Duits is, uit Düsseldorf afkomstig. Van Düsseldorf naar Wijhe is een hele reis voor een eenzaam been, driehonderd kilometer op eigen houtje. Maar ik vermoed dat ook andere omstandigheden Van Casterens fascinatie hebben aangejaagd. Hij somt ergens in zijn boek een aantal in Rijn en dochterrivieren aangetroffen benen op, maar kiest uitgerekend dit ene exemplaar: ongeschoeid, bruine Nike-sok.

Misschien heeft de vindplaats van het been een rol gespeeld: Wijhe, van oudsher een worstmakerscentrum. Wellicht heeft de naam van het gehucht waar het been in een kinderkistje werd begraven de voor naamassociaties gevoelige Van Casteren geïnspireerd – Den Nul.

Maar hij stort zich dus op dit ene been en gaat grondig te werk. ‘In antiquariaten en op internet koop ik beengerelateerde boeken.’ Vindt in Nabokovs Het origineel van Laura de in dit kader onbetaalbare regel ‘Ik heb nooit het minste plezier aan mijn benen beleefd’, elders duikt hij de term ‘zelfslachten’ op.

Vlinderdas

Van Casteren spreekt uitgebreid de beenvisser, Rijnstroomdeskundigen, de begraafautoriteiten te Den Nul en Wijhe, DNA-specialisten, rechercheurs, ouders van de beeneigenaar, zuster, ex’en, vrienden, collega’s. Crux is natuurlijk: is er slechts sprake van een dood been, of is de eigenaar integraal overleden?

Ik hou me daarover op de vlakte, want de spanning omtrent de laatste vraag geeft Het been in de IJssel ademloze vaart. Dit wordt nog eens versterkt door de ontdekking van een (bijna) naamgenoot, een duistere figuur, die schijnbaar dezelfde zou kunnen zijn als de voormalig beenbezitter.

Joris van Casteren schrijft een type proza dat men tegenwoordig literaire non-fictie noemt. ‘Alles wat in dit boek staat is waar gebeurd,’ schrijft hij zelf in een verantwoording. Inderdaad non-fictie dus. Journalistiek, bedreven door een onvermoeibaar, begenadigd diepte-onderzoeker.

De vraag wat er precies literair is aan de boeken die Van Casteren schrijft is, niet de allereenvoudigste. Hetzelfde gaat op voor het werk van een andere eminente literaire non-fictieschrijver, Frank Westerman. Wat maakt Het been in de IJssel literair?

Wat opvalt is de hoogst persoonlijke toon van de auteur, en de expliciete aandacht voor diens eigen gevoelens en opvattingen. Van Casteren is vaak bijzonder geestig, op een zeer terloopse manier. Een prachtig detail is bijvoorbeeld de vlinderdas van een patholoog-anatoom met wie hij spreekt: ‘Als ik in de snijzaal sta wil ik niet dat er voortdurend een stropdas ligt in het stoffelijk overschot waar ik mee bezig ben.’

Van Casteren maakt vakkundig gebruik van literaire motieven. Het beenmotief uiteraard: hij doet zich op zijn Duitse onderzoeksreizen niet voor niets tegoed aan Eisbein mit Sauerkraut, en de voormalige bezitter blijkt als voetballer bij vrije trappen een gevaarlijke linkervoet aan de dag te hebben gelegd. De worstconnectie met Wijhe noemde ik al, Van Casteren verbindt het afzagen van een botschijfje voor DNA-onderzoek ook met worstsnijden.

Dat water in Het been in de IJssel de klok slaat zal duidelijk zijn. Het beenverhaal levert een onwaarschijnlijke hoeveelheid ‘toevalligheden’ op dit thema. De bezitter blijkt te werken bij een reddingsvestenfirma (de zoon van de eigenaar verdronk omdat hij juist geen reddingvest droeg), is geobsedeerd door diepzeeduiken, duikt ook in figuurlijke zin met regelmaat onder in het nachtleven, verdwijnt tijdens een Hamburgse HISWA, et cetera. En dat alles waar gebeurd: het lijkt bijna bovennatuurlijk. Van Casteren getuigt daar van. Niet voor niets nam hij als motto voorin Het been in de IJssel regels van Edgar Allen Poe op, over bovennatuur en toeval.

De manier waarop Van Casteren het water-thema in zijn boek ‘ontwikkelt’ kan ik alleen maar literair noemen. Het laatste gaat evenzeer op voor een mooie passage als: ‘Het been is 38 jaar geworden. 38 jaar is het in gezelschap van een ander been geweest. Waarmee het eerst nog kroop en daarna leerde lopen. Waarna ze renden, fietsten, zwommen en voetbalden. Samen groeiden ze, samen raakten ze behaard.’

Wrijving

Dan is er nog de stoet aan personages die figureren in Het been in de IJssel. Ze zullen best hebben gezegd wat hen hier in de mond wordt gelegd, maar Van Casteren heeft natuurlijk niet al hun uitspraken opgeschreven en zijn citatenkeuze is ongelofelijk kleurig. Prachtige miniportretten. Voor een schrijver die als Van Casteren heel erg dicht bij de werkelijkheid blijft, levert zoiets soms wrijving met de beschrevenen op. Zijn informanten komen er niet altijd genadig af. Dit leverde hem bij zijn vorige boek Het zusje van de bruid (2011) een storm van verontwaardiging op – hij had journalistieke collega’s wat al te herkenbaar, ‘wrijvend’ beschreven en die schreven terug.

Misschien was het Van Casteren-procedé ook niet ideaal voor het onderwerp voor dat boek, maar Het been in de IJssel laat zien waar het óók toe kan leiden: een fascinerend, meeslepend, literair verslag van een uitputtend onderzoek naar een dood been. Met een fraaie apotheose: Van Casteren volgt langs IJssel en Rijn het spoor terug, te voet, van Wijhe naar Düsseldorf. Het blijkt een heel eind, hij wandelt de benen van het lijf.