Fiscale vluchteling kan ook terecht in Europa

Het uitlekken van data over belastingparadijzen leidt tot onrust onder fiscale vluchtelingen. Binnen de EU zal het debat over fiscale concurrentie oplaaien.

Drie jaar geleden, in april 2009, verklaarden de leiders van ’s werelds grootste industriële landen op een G20-top in Londen plechtig: „Wij staan klaar om actie te ondernemen tegen jurisdicties die zich niet houden aan internationale standaarden over belastingtransparantie.” Uit de eerste zogenoemde ‘Offshoreleaks’ die gisteren werden gepubliceerd, blijkt hoe weinig er van deze belofte terecht is gekomen.

Vraag het deskundigen, en zij noemen één reden voor dit fiasco: politieke onwil. Eva Joly, een Franse europarlementariër die een missie heeft gemaakt van de strijd tegen belastingontwijking door multinationals, zei eind 2009 tegen deze krant: „Meerdere G20-landen hebben zelf belastingparadijzen.”

Zij doelde op de VS (Nevada, Delaware), Groot-Brittannië (Maagden- en Kaaimaneilanden), Frankrijk (Monaco), Italië (San Marino) – de lijst is lang. Deze landen doen mee aan een systeem waarbij multinationals wereldwijd ‘belastingshoppen’ in of via landen met de laagste tarieven en beste uitzonderingsregelingen. In deze afvalrace stoten ze elkaar – en uiteindelijk zichzelf – veel brood uit de mond: zo’n 1.250 miljard euro wereldwijd per jaar. Het is privatisering van publieke gelden, waarmee gezondheidszorg en openbaar vervoer moeten worden betaald. Joly noemt het „diefstal”.

Internationale organisaties proberen hier al jaren iets aan te doen, zoals de OECD in Parijs en de Europese Commissie in Brussel. Zij bereiken echter bitter weinig, omdat hun eigen lidstaten regelgeving tegenwerken. Belastingen worden nationaal geheven. Wie daaraan tornt, raakt het hart van de democratie. Gevolg is dat er alleen internationale belastingafspraken gemaakt kunnen worden als alle landen het eens zijn. De OECD heeft zwarte en grijze lijsten voor meer of minder „coöperatieve” jurisdicties. Maar de criteria worden door regeringen zo afgezwakt, dat landen al van die lijsten afkomen als ze met elkaar inhoudsloze bilaterale verdragen sluiten.

Mensen spreken vaak over filmsterren of sportlui die geld in Zwitserland of Singapore parkeren. Nu Europese schatkisten door de crisis leeg raken, jagen overheden steeds harder op hen. Daarom is het schandaal rond het aftreden van de Franse minister van Begroting Cahuzac zo enorm: hij loog over een Zwitserse rekening met 600.000 euro erop.

Maar multinationals ontwijken de belastingen op véél grotere schaal dan vermogende individuen. Het werkt simpel: ze zetten een holding op en sluizen binnen die holding winsten van een dochter in het ene land naar een verliesgevende dochter in het andere land. Zo maken ze nergens echt winst en betalen ze nergens echt belasting.

Neem Starbucks. De koffieketen betaalt in Groot-Brittannië maar 4 procent belasting terwijl het daar goed boert. Zo werken alle multinationals. Ook verkopen dochters elkaar via de moeder diensten of producten tegen prijzen die met marktwaarde niets te maken hebben.

Een van de landen die de moeder-dochterconstructie lang heeft gefaciliteerd, is Cyprus. Het is geen toeval dat Duitsland laatst de kans greep dit „zieke businessmodel” te vermorzelen. Ook Malta, Luxemburg, Nederland en Letland zijn in trek voor corporate hoofdvestigingen waar weinig of geen zakelijke activiteit plaatsvindt. Van de twintig grootste Portugese beursgenoteerde bedrijven waren er vorig jaar negentien in Nederland gevestigd. Ook de Luxemburgse financiële sector, twintigmaal groter dan wat het land op jaarbasis produceert, is andere EU-landen een doorn in het oog. Vaak is dit legaal. De ‘Offshoreleaks’ en Cyprus zijn duidelijke signalen dat de grens tussen wat legaal en acceptabel is, opnieuw getrokken wordt.

Eurocommissaris Algirdas Semeta (Belastingen) heeft in december dertig suggesties gedaan om belastingconcurrentie binnen de EU te beperken. Hij wil één Europees belastingnummer invoeren, het begrip ‘belastingparadijs’ scherper definiëren, en meer feiten publiceren in de hoop dat landen elkaar onder druk zetten.

Semeta kan niet verder gaan. Hij moet voorzichtig zijn. Maar een van zijn medewerkers zegt: „Wat hier aan de gang is, in Europa, is regelrechte oorlogvoering. Niet met legers, maar met geld. Als regeringen nu niet stoppen, vallen er straks veel slachtoffers.”