Wetgeving moet stabiel zijn, niet rommelig als nu

De overheid vindt dat de burger meer zelf moet regelen. Maar tegelijk gaan de lasten omhoog. Dat is niet goed, vindt Piet Hein Donner.

Problemen die tien jaar duren kun je met goed fatsoen geen crisis meer noemen. Piet Hein Donner, vicepresident van de Raad van State, rekent voor dat de Nederlandse politiek al van eind 2008 tot en met 2017 bezig is met crisismaatregelen. Om de economie er bovenop te krijgen en tegelijk te korten op de eigen uitgaven. „Het woord crisis associeer je met het idee dat we nú in moeilijkheden zitten, maar eruit komen en op de oude voet doorgaan. Maar dat gebeurt niet.”

Vandaag is het de eerste keer dat Piet Hein Donner (CDA) als vicepresident van het belangrijkste adviesorgaan van het kabinet met een uitgebreide beschouwing komt. Vorig jaar zat hij er immers pas net, overgestapt uit het eerste kabinet-Rutte.

Moet het kabinet nog spreken van sterker uit de crisis komen?

„Dat moet zonder meer de ambitie blijven. Maar we kunnen niet meer spreken in termen van ‘crisis’. De tegenvallende economische groei in Nederland, de opkomst van landen als China en Brazilië, die ontwikkelingen zijn niet van voorbijgaande aard. Onze groeimogelijkheden zijn nu veel beperkter. En hervormingen en bezuinigingen die nodig zijn om ons aan te passen aan die nieuwe situatie, gaan doorwerken in het functioneren van de staat. En in de verhoudingen tussen overheid en burger. De overheid kan minder doen, zal minder waarborgen voor mensen kunnen bieden.”

Daarbij bepleit u ook lastenverlichting voor burgers.

„Ja, je kunt moeilijk zeggen: de burger moet zijn eigen verantwoordelijkheid nemen, als daar op den duur geen lastenverlichting tegenover staat. Anders zou hij de middelen die hij daarvoor nodig heeft, nog steeds als belasting aan de overheid betalen, voor mínder dienstverlening. En die lasten zíjn al substantieel toegenomen, afgelopen jaren. Dus als je niet aan lastenverlichting doet, is het maar de vraag in hoeverre burgers de bezuinigingen in de toekomst zullen accepteren. Het gaat om de verschuiving van verantwoordelijkheid van staat naar burgers, maar daarbij wordt nog onvoldoende duidelijk wélke taken de overheid niet meer zal doen in de toekomst.”

Gaat het kabinet die keuzes uit de weg?

„Deels constateren wij dat die keuzes niet gemaakt worden. Waar het gaat om de langdurige zorg bijvoorbeeld, of om de jeugdzorg, wordt in het vooruitzicht gesteld: déze taken gaan over naar de gemeenten, en die krijgen er substantieel minder geld voor. Dat wordt nu vooral als efficiency gepresenteerd, als doelmatiger werken. Maar je zult óók moeten zeggen: wat die gemeenten u kunnen en zullen bieden, is minder dan wat het Rijk u tot nu toe bood, want ze krijgen er substantieel minder geld voor. Anders verleg je met die decentralisaties het probleem.”

En volgens u ligt de nadruk te veel op snel bezuinigen?

„Natuurlijk is die bestuurlijke slagvaardigheid essentieel, maar ook is het besef nodig: wat de overheid doet, is rechtsvormend. In Nederland betekent de rechtsstaat vooral gelijkheid. Als Jantje dit, dan ik óók dit. Maar het overhevelen van taken van Rijk naar gemeenten zal tot gevolg hebben dat er verschillen, mogelijk zelfs grote verschillen, gaan ontstaan tussen gemeenten. De burger aan de ene kant van de gemeentegrens krijgt dan wezenlijk andere rechten dan de burger aan de andere kant. Hoe moeten we daar in het recht mee omgaan? Dit is een ontwikkeling waar je tijdig bij moet zijn. Een fundamentele verandering waarvan je moet voorkomen dat die ongestuurd zal verlopen.”

Dan is er ook nog al eens sprake van een rommelig wetgevingsproces. Door de val van het kabinet vorig jaar, daarna het Lenteakkoord, en nu het gebrek aan een meerderheid in de senaat.

„Die constatering doen we ook, ja. In een aantal gevallen moesten wij nog adviseren over een wetsvoorstel, terwijl aan de uitvoering van die wet al begonnen was. Bijvoorbeeld bij het plan om prestatieafspraken in te voeren in het hoger onderwijs. Of kijk naar de bijstand, waar het hele gezin zou worden meegerekend bij de berekening van het recht op bijstand. Dat plan werd weer ingetrokken – maar met dat soort wisselingen zorgt de overheid voor extra onzekerheid bij mensen die toch al op de grens van onzekerheid leven. Dat is een punt van zorg. De continuïteit van de staat is van belang.

„Daarbij komt: een van de belangrijkste kenmerken van wetgeving is dat mensen zich eraan houden, omdát het wetgeving is. Als je als overheid het idee laat postvatten: als ik niets doe en een tijdje wacht, dan trekken ze deze wet wel weer in, dan heb je pas echt een probleem.”