Van venster naar venster

Tot de troonswisseling lopen schrijfster Tosca Niterink en fotografe Anita Janssen wekelijks een stuk van De Koninklijke Weg: van Paleis Noordeinde, via koninklijke mijlpalen, naar Paleis het Loo.

Zondag 31 maart, maandag 1 april: van Benthuizen naar Putkop, 35 km.

Deze week hebben we als wandelamateurs (want dat blijven we) flink de sokken erin gezet. In twee Paasdagen hebben we in barre gevoelstemperaturen 35 km afgelegd (gevoelsafstand 92,4 km). De koninklijke wandelgids vermeldt wel dat je als rolstoeler bij de wokchinees in Bodegraven naar het invalidentoilet kan gaan, maar niet dat er in deze streek geen bussen rijden op zon- en feestdagen.

Vorige week in Benthuizen, na een uitputtende 24 km, liepen we ook keihard tegen dit logistieke probleem aan. Hoe kwamen wij bij onze auto, 8 km (gevoelsafstand 27 km) verderop in Zoetermeer? Daar stonden we, terwijl de schemering begon in te vallen, in de gereformeerde lintbebouwing van Benthuizen. U kent het wel: een doorgaande straatweg en keurige huizen erlangs met voortuintjes en gordijnloze ramen die royaal zicht bieden op alle hoeken van helder verlichte huiskamers. Er begon verticaal bevroren motregen op ons af te waaien ook.

Denk niet dat wij alleen maar zeuren, tot nu toe hebben we enorm genoten van het stille winterlandschap in het Groene Hart: de tuinderijen, de weilanden met schapen en ganzen. We staan minutenlang stil voor een stokoude opengebarsten knotwilg waar toch nog leven in zit. Of voor een lammetje achter het gaas.

Alles wat leeft is eigenlijk bijzonder en kan biologeren, zo ook de vensters te Benthuizen. We slenterden ademloos van venster naar venster, elke huiskamer afleggend. „Schitterend niet?”, fluisterenden we, „hoe alles hier groeit en bloeit.”

„Ja”, mompelde Annie hees van opwinding, „is je opgevallen dat overal twee dingen in de vensterbank staan?”

„Jij ziet ook alles”, riep ik uit. Inderdaad, bij de een staan twee nostalgische Intratuin-lantaarns voor het raam te pronken en bij de ander twee bronstige Blokker-vazen met paaskrultakken erin. „Zou het in het morfogenetische veld zitten, de twee dingen dinges?”

„Wie zal het zeggen”, sprak Annie, „ik ga foto’s maken.” Ik zeeg neer voor een huis waar geen licht brandde, zodat ik de bewoners met mijn griezelige voorkomen geen angst aan kon jagen en belde een taxi. Even later kwam Annie aanlopen. „De mensen worden bang en kloppen boos tegen het raam vanwege mijn gefotografeer. Ik wil weg, waar blijft die taxi?”

Er kwam een man in een rolstoel op ons afrijden. „Kan ik u ergens mee helpen?”

„Nee, wij wachten op een taxi”, zei Annie al liftbewegingen makend. „Ahaa”, zei de man, „want je weet maar nooit. Je zou misschien denken dat hier nooit wat gebeurt, maar er zijn onlangs nog twee zakjes drugs in het weiland gevonden.”

„Stelletje bofkonten”, grapte ik.

„Ja”, ging de rolstoeler verder, „ik wil het hier graag veilig houden, zodat we niet bang hoeven te zijn.”

„Volgens mij bent u al bang!”

„Voor wie?”

„Voor mij bijvoorbeeld”, zei ik.

„Ha”, riep hij uit, „ik laat me echt niet bang maken door u.”

„Maar”, merkte ik zo vriendelijk mogelijk op, „wilt u wel even doorrijden, met u erbij krijgen we nooit een lift.”

„De straat is vrij”, gromde hij. De schrik sloeg ons om het hart. Gelukkig stopte toen een taxi met een heldhaftige Noord -Afrikaanse chauffeur erin.