Theater over kracht van tuinieren

De voorstelling ‘Paradijs’ is een poging actief en actueel te zijn: de makers willen duurzamer leven en kweken daarom zelf hun eigen groenten.

„Je eigen voedsel verbouwen is als het drukken van je eigen geld.” Een inspirerende uitspraak, opgepikt uit een documentaire die vier theatermakers keken in het kader van Paradijs, hun nieuwe voorstelling annex ‘urban gardening’-project. Vincent Rietveld en Jeroen de Man van de Warme Winkel en Manja Topper en Kuno Bakker van Dood Paard wilden niet wéér een boekbewerking doen, maar echt actief zijn binnen het actuele debat. En zo kwamen ze op de moestuin.

Die is, zeggen de makers, het antwoord op alles: op de crisis, de klimaatproblematiek, de stijgende olieprijzen. De stadstuin verstrekt sociale cohesie, en gaat, mits aangelegd in een verlaten kantoor, ook nog eens leegstand tegen. Plus: de natuur biedt hoop. Jeroen de Man: „De kracht in zo’n zaadje is een wonder.”

Als kantoor dient de voormalige bibliotheek van het Theaterinstituut in Amsterdam. Van de achtergebleven boekenkasten maakten ze plantenbakken. Vijf kuub potgrond ging met de lift mee omhoog. En nu groeien hier, onder professionele tuinbouwlampen, meer dan tweehonderd verschillende planten: sla, tomaat, komkommers, munt, koriander, bonen, oesterzwammen, hennep, paprika. En aardappels – véél aardappels. Manja Topper: „De aardappelplant, dat is de grote meevaller van dit project.”

Hun eerste opzet was, zo vertelt Jeroen de Man, om volledig zelfvoorzienend te zijn. „Maar dat is echt totaal mislukt.” Ze wilden hennep verbouwen om bijvoorbeeld kleren van te kunnen maken. De planten, die zo’n vier meter hoog kunnen worden, vormden het gedroomde decor. Maar Topper toont een zieltogend stekkie van nog geen vijf centimeter. „We hadden hier binnen niet het juiste licht en de aanhoudende kou hielp evenmin. We hadden gedacht dat alles sneller zou groeien.”

Meevallers waren er ook. Zoals die aardappelplant. „Die doet het héél goed. Veel van het groen dat je hier nu ziet, is aardappel.” Op een tuindersbeurs kregen de vier prachtige tomatenplanten, die tijdens de verhuizing jammerlijk verpieterden door de plotselinge kou. Maar de makers bonden ze liefdevol op, aan het raam, in de zon, en nu prijken tussen het zwarte dode blad weer frisse groene scheuten. Ook deden de makers, behalve Rietveld allemaal stadsmensen, op zogeheten ‘tuinrelatiedagen’ cruciale contacten op. Zoals het bedrijf Lights Interaction, dat enthousiast was over hun plan en nu de dure tuinlampen sponsort.

De tegenvallers en verrassingen maakten dat de opzet van de voorstelling moest worden veranderd. Rietveld: „Die planten trekken zich niets aan van onze geplande première. Als we de voorstelling in mei spelen, hebben we een compleet ander decor dan nu.” Jeroen de Man: „In het begin dachten we, fuck die natuurwetten! Maar we hebben ons echt aan moeten passen.” Rietveld: „De tuinman is niet de baas van de tuin, maar de slaaf.”

Dus zal Paradijs deels ook gaan over het omgaan met frustraties en teleurstellingen, en over hun eigen onvermogen dat aan het licht kwam bij het zorgen voor de tuin. Topper: „Dat voedsel kweken zoveel moeite kost, was een belangrijk inzicht. Wie dat weet gaat misschien minder achteloos met eten om.” Rietveld: „Alleen al in Amsterdam gooien mensen dagelijks acht vrachtwagens brood weg. Ik heb van de tuin geleerd om echt alleen te koken wat ik opeet.”

Scenario’s om anders, zuiniger, beter te leven, vormen het zwaartepunt van de voorstelling. Van de Amerikaanse ‘preppers’, die zich met een kelder vol conservenblikken voorbereiden op een klimaatramp, tot wat de makers noemen ‘het Indiase model’: je eten van dichtbij halen, samen delen, het restmateriaal tot mest verwerken, enzovoort. Rietveld: „De global footprint van een Indiër is 1/355ste van de Amerikaan. Dat vonden wij een voorbeeld.” Topper: „Maar als we dat model uitproberen in de voorstelling, blijkt achteraf dat we vooral erg weinig eten.”

Hét antwoord of dé oplossing hebben de makers niet. Aan analyses of strategieën wagen ze zich evenmin. Maar hoewel de voorstelling in mineur eindigt, lieten zij zich juist inspireren door het boek De blauwe economie van Gunter Pauli, dat uitpuilt van de hoopgevende initiatieven tot duurzamer leven. Rietveld: „We kunnen nog veertig jaar doorpraten maar dan is het te laat. Je moet, húp, beginnen. Dat hebben wij gedaan.”

Paradijs. Te zien t/m 1/6, in Amsterdam en Utrecht. Inl: paradijs.nu