Putten van licht

LichtOver het licht in het Rijksmuseum is vanaf de opening in 1885 gediscussieerd. Maar het nieuwe licht is hemels.

Boven: De originele, door Cuypers ontworpen ramen en decoraties, voor de verbouwing. Onder: De nieuwe lichtarmaturen van Jean-Michel Wilmotte Foto uit ‘Het nieuwe Rijksmuseum. Pierre Cuypers en Georg Sturm in ere hersteld’, Amsterdam University Press, 2013

Er is maar één manier om een museum werkelijk tot leven te brengen: daglicht. Daar raakte ik van overtuigd toen ik in 2000 een film maakte over de collectie van het Rijksmuseum. Ik dwaalde wekenlang door het gebouw. In die gelukkige dagen werd ik verliefd op het bovenlicht, het daglicht dat de bovenste etage en de eregalerij door glazen dakpanelen verlichtte. Afhankelijk van de weersomstandigheden bloeiden schilderijen op of verdwenen tijdelijk achter de schaduw van een wolk. Er was geen dag, geen uur hetzelfde. Verf (maar ook zilver, porselein, glas), besefte ik, is geen dode materie: het leeft van licht. En leven is beweging.

Het werd me echter snel duidelijk dat het museum met dit daglicht in zijn maag zat. Als zoveel andere musea was ook het Rijks uit op verregaande controle. Bovendien was er nieuwe kennis over de invloed van uv-straling op de houdbaarheid van kunstwerken. Aan de norm daarvoor werd bij lange na niet voldaan. Dus zocht het Rijks een compromis tussen de negentiende-eeuwse daglichtpanelen in het dak en de mogelijkheden van warm, gericht kunstlicht. In de loop der jaren was het ronduit een rommeltje geworden.

Mijn ergernis groeide toen ik oude foto’s bestudeerde. Ik begreep dat er twee enorme binnenplaatsen waren geweest, die, op zoek naar ruimte voor de groeiende collectie, waren dichtgebouwd. De zalen in die kubussen kenden geen enkel karakter. En erger, ze namen al het daglicht weg dat door de zijramen zou kunnen vallen. Toen me duidelijk werd dat bij de grote verbouwing deze kubussen zouden worden afgebroken, droomde ik van golven licht die door de opnieuw vrijkomende zijramen het museum konden binnenstromen.

Kunstkathedraal

Het Rijksmuseum en licht, het is altijd een moeizame relatie geweest. Cuypers’ Rijksmuseum was in 1885 koud open, of de polemiek brandde los. Vooral de belichting van de Nachtwacht moest het ontgelden, nota bene het altaarstuk waar de kunstkathedraal omheen was gebouwd. Cuypers koos in de Nachtwachtzaal, aan het eind van de eregalerij, voor noorderbovenlicht, een neutraal uitgangspunt, ware het niet dat hij waarschijnlijk het effect van de hoogte van de zaal onderschatte. Iedereen was het erover eens: het doek hing op zijn ereplaats te somberen, je moest flink turen om iets van kapitein Banning Cocq en kornuiten waar te nemen.

De slepende discussie werd pikant toen ook Adriaan Willem Weissmann, architect van het tien jaar later geopende Stedelijk, zich erin mengde. Iedereen, en niet in de minste plaats Weissmann zelf, was het erover eens dat het licht in het nieuwe Stedelijk wonderbaarlijk goed gelukt was. Het ultieme bewijs kon hij snel leveren. In 1898 organiseerde het Stedelijk een grote Rembrandttentoonstelling en het Rijks kon de Nachtwacht niet weigeren. Het schilderij kwam in een van de benedenzalen van het Stedelijk te hangen. Daar werd het van opzij aangelicht via de door rekenmeester Weissmann zo zorgvuldig uitgekiende ramen. Jubel alom: de Nachtwacht eindelijk zichtbaar!

De polemiek werd venijniger, het nationaal belang kwam in het geding. Op aandrang van een koninklijke commissie kreeg het Rijks in 1907 een nieuwe aanbouw. De Nachtwacht werd er uitgelicht via een ruim raam op het zuidwesten. Jammer genoeg kwam het schilderij zo ook niet tot zijn recht. In 1922 werd het schilderij opnieuw verplaatst, naar de zijwand van de Nachtwachtzaal, om in 1985 terug te keren naar de oorspronkelijke plaats, zichtbaar vanuit de eregalerij. Na tien jaar tijdelijk verblijf in de Philipsvleugel valt het daar nu opnieuw als altaarstuk te bewonderen – daarover kan Cuypers tevreden zijn.

Maar heeft het Rijksmuseum na de verbouwing de zijramen in de binnenplaatsen teruggekregen? Zou ik die golven van licht kunnen bewonderen waarvan ik droomde? Ik heb er weinig vertrouwen in als ik op weg ga voor een eerste bezoek aan het vernieuwde Rijks.

Doorzichtschermen

Zijramen, moderne musea willen er niet meer aan. Te weinig controle. Het vernieuwde Stedelijk bewijst dat nog eens. De glorieuze overwinning van 1898 in de Nachtwachtkwestie lijkt te zijn vergeten. Er zijn nog een paar zalen waar het daglicht via omvangrijke ramen een kans krijgt, maar vanachter getint glas en zware doorzichtschermen. De trots van architect Weissmann is zonder pardon kaltgestellt.

Het uitgangspunt van het vernieuwde Stedelijk is sowieso gelijkmatigheid. In de meeste zalen hangen armaturen die een diffuus en indirect licht verspreiden. Het bovenlicht wordt verstrooid door plafonds van witte velums. Er is geen hoekje dat zich niet met licht vult. De kunstwerken mogen zelf het werk doen, lijkt het museum te willen uitdragen, elk dramatisch effect wordt vermeden.

Ongetwijfeld een sympathiek uitgangspunt, ware het niet dat het licht zo vakkundig tot stilstand is gebracht dat de rillingen je over de rug lopen. Misschien zijn het de te witte muren, misschien de combinatie met de kleurtemperatuur van de lampen, misschien hangen de velums te hoog, het effect is in ieder geval dat de prachtigste schilderijen lijken te verdrinken in een genadeloos witte kubus. Ik geloof niet dat ik de ideologie van de ‘white cube’ ooit zo radicaal heb zien uitgevoerd.

Wat kan het vernieuwde Rijksmuseum daar tegenover zetten?

Het is een zonnige dag als ik het museum in ga. De nieuwe entree loopt via de vrijgemaakte binnenplaatsen. Mijn eerste indruk is overweldigend. Ooit beschreef iemand me die binnenplaatsen als ‘putten van licht’. Dat leek me een poëtische omschrijving, maar nu ik vanuit het donker het atrium betreed, besef ik hoe treffend het is. Ik denk dat het een van de nieuwe attracties van het museum zal worden: wilt u weten hoe het is om te verdrinken in licht, ga op een zonnige dag naar het Rijks.

Maar voor kunstwerken wordt het niet gebruikt. Op een paar klassieke beelden na is er in het atrium buiten kassa’s, restaurant en boekwinkel niets te zien. Behalve natuurlijk de architectuur van Cuypers, die boven de marmeren kuip van de entree het idee van een middeleeuws kasteel of klooster oproept. Een effectief voorproefje van wat de bezoeker binnen te wachten staat. Ik zie ook direct dat er weinig zijlicht te beleven zal zijn: de meeste ramen zijn afgeschermd met schilden. Ik bereid me voor op een teleurstelling.

De bezoeker die niet meteen naar de zeventiende-eeuwse hoogtepunten doorloopt, begint bij de afdeling Middeleeuwen. De duistere Middeleeuwen, lijkt de boodschap, want die collectie is ondergebracht in de keldergewelven van het museum. Ik dacht even aan kerkers, want de plafonds zijn laag, de muren donkergrijs en het felle licht in het atrium zit nog in mijn ogen. Maar er is iets wat me verzoent met deze opstelling: het licht!

Het is weliswaar een situatie zonder daglicht (de paar souterrainramen hebben geen invloed), maar toch gebeurt er iets wat ik van geen enkel museum ken. Zonder opdringerig te zijn, zetten de spots de kunstwerken in een opmerkelijk fris licht. Het lijkt wit, neutraal, maar is dermate krachtig dat de kleuren van de schilderijen alle kans krijgen te spreken. Het is alsof de gerichtheid van kunstlicht en de intensiteit van daglicht hier worden gecombineerd in één lamp. Een effect dat ik alleen van HMI-licht op filmsets ken.

Als ik navraag doe, begrijp ik dat er door het Rijks in samenspraak met Rogier van de Heide (eerst Arup, daarna Philips Lighting) erg veel werk is gestoken in de ontwikkeling van deze lampen. Het is ledlicht (van zichzelf blauw) dat op een speciale manier wit is gemaakt. De originele kleurwaarden van de kunstwerken worden tot 93 procent gegarandeerd weergegeven. Het is ‘state of the art’ begrijp ik, gloednieuw, en het lijkt erop dat wat betreft de verlichting het Rijks geschiedenis schrijft. Zou Cuypers in zijn graf eindelijk rust vinden?

Vergeten eeuw

Ik ga een verdieping hoger. Van de zijramen hoef ik inderdaad niets te verwachten. Onder het argument van ruimtewinst zijn die gesloten, wordt me verteld. Maar is dat erg als je die nieuwe lampen tot je beschikking hebt? De zalen voor de achttiende eeuw zijn prachtig. De pompeuze elegantie van de ‘vergeten eeuw’ gedijt goed onder de nieuwe ledlampen. Een onnadrukkelijke theatrale gerichtheid spant samen met een optimale zichtbaarheid.

Dan wacht de grote test: de eregalerij, die als een schip in een kerk twee verdiepingen hoog is, en de aansluitende zalen met de glazen dakpanelen, geheel vrijgemaakt voor de publiekstrekkers uit de zeventiende eeuw. De meeste zalen zijn nog niet klaar, ook niet als ik een week later terugkeer. Juliette Nielsen en Sjoerd van Beers van ontwerpbureau Beersnielsen zijn nog druk aan het inregelen, maar één ding wordt me snel duidelijk: niet alleen het spotlicht, ook het bovenlicht wordt gecontroleerd ingezet. Verandering van weersomstandigheden zal weinig effect hebben op de zalen. In die zin staat het licht stil. Maar de ervaring is er een van bovenlichtzalen op een mooie zonnige dag. Het lijkt alsof een zon schijnt die de hele dag precies op de juiste plaats de zaal aanlicht. Het roept die enerverende, bijna hemelse ervaring van optimale zichtbaarheid op. Het is het soort ervaring waar je meestal op moet wachten, maar die hier op elk uur van de dag is gegarandeerd.

Ik ga terug naar het Stedelijk, waar – pikant – het basislichtplan door dezelfde Rogier van der Heide is ontworpen. Wordt de polemiek nu door één persoon uitgevochten? Het ligt genuanceerder. Beide musea zijn op zoek naar het nabootsen van een optimale daglichtsituatie. Weliswaar tot stilstand gebracht, maar de ervaring van daglicht is de norm.

Het Rijks heeft als voordeel dat oude kunstschatten het best gedijen tegen donkere wanden. Die zijn in diverse tinten grijs uitgevoerd, de mooiste mijns inziens in de eregalerij. Het kunstmatige daglicht wordt daarin opgezogen. Het white cube-concept van het Stedelijk – waar twintigste-eeuwse kunst van heet te houden – is lastiger. De witte muren werken als immense reflectieschermen, voor je het weet nemen die het heft in handen. Maar als je alles onder controle hebt, moet daar toch iets aan te doen zijn. Ik vermoed dat het licht in het Stedelijk de uitvoering is van een streng concept: een compromisloze, radicale uitvoering van de witte kubus. Het conceptuele visitekaartje van directeur Ann Goldstein?

Ook in het Rijks is er sprake van een concept, maar de aanpassingen in de diverse zalen bewijzen dat concept en ervaring steeds op een gelukkige manier samenspannen, zoals bij daglicht, dat overal andere ervaringen oproept.

Tijdens mijn twee bezoeken is het licht van de eregalerij met de Nachtwacht nog niet ingeregeld. De ultieme testcase? Ik denk het niet. Het schilderij is een onding, te groot en te donker om uit te lichten. Maar als het ooit een kans heeft gehad om optimaal zichtbaar te zijn, dan zet ik mijn kaarten graag op de ledverlichting van het vernieuwde Rijks.

De film ‘Schatkamer Rijksmuseum’ (2000) is volgende week te zien op Holland Doc 24.

    • Peter Delpeut