Oud gebouw in een nieuwe tijd

Architectuur

Antonio Ortiz en Antonio Cruz over hoe ze het Rijksmuseum de 21ste eeuw binnenbrachten. ‘Minder vierkante meters, maar meer bruikbare ruimten.’Tracy Metz

Antonio Ortiz heeft nu eenmaal een melancholiek hoofd. Ook nu de opdracht die hem en zijn compagnon Antonio Cruz de afgelopen dertien jaar veel hoofdbrekens heeft gekost zijn feestelijke voltooiing nadert, loopt hij niet breed lachend door het Rijksmuseum. Maar in de grote hal kijkt hij met voldoening om zich heen. „In grote lijnen zijn wij erin geslaagd onze ideeën te realiseren over hoe je een oud gebouw naar een nieuwe tijd brengt.” En ja, ze hebben compromissen moeten sluiten. „Je wint nooit al je gevechten.”

Het Spaanse bureau Cruz y Ortiz heeft het negentiende-eeuwse Rijksmuseum de 21ste eeuw binnengebracht met aanpassingen die ingrijpend en terughoudend tegelijk zijn. De opvallendste is de 2.250 vierkante meter grote ondergrondse ontvangsthal. De grond onder het bestaande gebouw is metersdiep uitgegraven en de twee binnenhoven, die de afgelopen eeuw met talloze tussenverdiepingen waren volgebouwd, zijn weer opengemaakt. De daken van de hoge binnenhoven zijn van glas, de wanden zijn de oorspronkelijke warmrode bakstenen muren van Cuypers en het atrium zelf is bekleed met beige Portugees kalksteen. Als je op straatniveau door het gebouw heenloopt of fietst – ja, fietst – kun je dwars door de nieuwe glazen zijwanden van de onderdoorgang omlaag in de grote nieuwe ontvangstruimte kijken.

De opdracht aan de architecten, die in 2001 een internationale prijsvraag voor de verbouwing en uitbreiding wonnen, was meerledig. „In de eerste plaats moest het gebouw worden opgeruimd”, zegt Ortiz. „De oorspronkelijke heldere, symmetrische indeling moest worden hersteld. Het motto van de hele operatie was immers ‘Verder met Cuypers’. Het gevolg is dat het museum nu minder vierkante meters telt, maar meer bruikbare ruimten.”

In de tweede plaats moesten er voorzieningen worden geschapen voor de verwachte ruim één miljoen bezoekers per jaar, zoals ontvangstruimtes, balies voor kaartverkoop, garderobe, museumwinkel en horeca. Daar kwamen de hedendaagse eisen op het gebied van veiligheid, klimaat en akoestiek bij. „En ten slotte moesten we zorgen dat de nieuwe architectuur zich op een natuurlijke manier verhoudt tot het historische gebouw.”

Ondergronds

In de jaren tachtig en negentig heeft architect I.M. Pei het Louvre uitgebreid met een ondergrondse verdieping voor de ontvangst van bezoekers – een verbouwing die overigens achttien jaar duurde. Voor het Rijks was het openmaken en verbinden van de monumentale binnenhoven een logische stap. Daarmee werd het mogelijk één grote ontvangstruimte te creëren. „Dit heeft vanaf de eerste schets in het ontwerp gezeten.” Het museum begint nu in feite één verdieping lager.

Maar in Amsterdam met zijn natte bodem was de verdieping een technische uitdaging. Er zijn foto’s van bouwvakkers die zich in roeibootjes door de bouwput verplaatsen. Staande in de nog lege ontvangsthal zegt Ortiz: „Hieronder gaat het nog vijf meter dieper door. Daar zijn opslagruimtes, installaties, depots, keukens, zalen en het auditorium.”

Onder de glazen kappen van de binnenhoven hangen hoog in de lucht enorme constructies die op vierkante hekken lijken. Hierin zijn onder meer de verlichting en luidsprekers ondergebracht. Op mijn blocnote tekent Ortiz hoe deze constructies de binnenhoven visueel bij elkaar brengen en als een transparant plafond structuur geven aan de hoge ruimtes.

Bezoekers komen aan weerskanten van de passage binnen via twee draaideuren en twee ronde liften, en gaan naar beneden voor de kaartverkoop, garderobe, of om zonder een kaartje te kopen naar de boekwinkel te gaan of iets te eten en drinken in het café in de ontvangsthal. Ortiz: „Dit is niet alleen de toegang tot het museum, maar ook een nieuwe ontmoetingsplaats in de stad.”

Fietsen

Toch is de ingang het belangrijkste ‘compromis’ waar Ortiz op zinspeelde. Cuypers ontwierp het museum in de vorm van een symmetrische stadspoort die door de passage doormidden wordt gedeeld. Er waren aan beide zijden ingangen, op het voorplein aan de Stadhouderskade, waardoor bezoekers altijd twijfelden waar ze naar binnen moesten. Dat is niet opgelost: nog steeds zijn er toegangen aan twee kanten, nu ín de passage aan weerskanten van het veelbesproken fietspad.

Ortiz vindt de nu gekozen oplossing waarbij het fietspad door het midden van de passage loopt en de voetgangers en museumbezoekers langs de buitenkanten „second best”. „De ingang was een van de belangrijkste problemen die het museum wilde oplossen. Het museum is jaren langer gesloten geweest en dan nog is het niet overtuigend opgelost.”

Twee jaar geleden in een interview met NRC Handelsblad staken Cruz en Ortiz hun verwondering over de gang van zaken niet onder stoelen of banken. „Nederland staart zich blind op bijzaken”, zeiden ze. „De sterke sociale controle behoedt Nederland voor catastrofen, maar ook voor hoogtepunten.” Wat ze zich niet hadden gerealiseerd, zegt Ortiz nu, is dat ze in feite drie opdrachtgevers hadden: de Rijksgebouwendienst als eigenaar van het gebouw, het Rijksmuseum als gebruiker van het gebouw en het stadsdeel voor de passage. In het interview van twee jaar geleden, evenals in de vierdelige documentaireserie over tien jaar verbouwingsellende van Oeke Hoogendijk, maken ze geen geheim van hun ergernis. „Je weet nooit wie wat beslist hier.” Ortiz nu: „Wij hebben veertig jaar ervaring en weten dat een ontwerp nooit precies wordt gerealiseerd zoals het in het begin is getekend. Het wordt vaak beter door de inzichten van anderen. Maar een proces waarin genomen besluiten niet vaststaan en niemand verantwoordelijkheid wil nemen, was nieuw voor ons.”

Tijdens de verbouwing is er weinig samenwerking geweest met de Franse interieurarchitect Jean-Michel Wilmotte, die de expositieruimten heeft vormgegeven. Wilmotte had alleen het Rijksmuseum als opdrachtgever, en daardoor een andere planning dan de architecten. „De bureaus die projecten voor ons uitvoerden hebben wel regelmatig contact met elkaar gehad”, zegt Ortiz. Wilmotte heeft de zalen in een krachtig palet van grijs tot paarszwart laten schilderen, ontwierp zware verlichting met daaronder beeldschone lichtvoetige vitrines. Maar de bezoeker begrijpt niet waarom er in het Aziatische paviljoen van Cruz y Ortiz andere vitrines staan. Of waarom de kleuren van de poorten tussen de zalen niet op de zaalkleuren zijn afgestemd.

Glas en steen

Veel van het werk van Cruz y Ortiz aan het nieuwe Rijksmuseum zit in voor de bezoeker onzichtbare logistieke ruimtes, installaties en infrastructuur. Ze hebben bijvoorbeeld het voormalige Veiligheidsinstituut aan de Hobbemastraat verbouwd tot restauratieatelier.

Aan de buitenkant zijn maar twee nieuwe toevoegingen te zien. Met hun hoekige vormen en hun gevels van glas en kalkzandsteen steken ze scherp af bij de rijk gedecoreerde bakstenen muren van Cuypers. Het opvallendste is het Aziatische paviljoen, in een oksel van het gebouw, vlakbij de Philipsvleugel waar voorheen installaties en Japanse kersenbomen stonden. Deze afdeling is kleiner dan voorheen, maar heeft een opvallende plek in het hele complex gekregen. Het paviljoen krijgt een directe verbinding met de Philipsvleugel.

De nieuwe toevoeging is het toegangsgebouw voor het personeel, naast de Teekenschool in de tuin. Het was bedoeld als bibliotheek en depot, maar tijdens de verbouwing werd besloten de oorspronkelijke monumentale bibliotheek te behouden. De toren werd uiteindelijk aanzienlijk lager.

Veel aandacht voor logistiek, weinig nieuwbouw – deze terughoudendheid is kenmerkend voor het werk van Cruz y Ortiz, een bureau dat wars is van spektakel. „Bij de transformatie van een oud gebouw moet je niet met je persoonlijke expressie voorop willen lopen, maar je terughoudend opstellen”, zegt Ortiz. „Veel glorie zit er niet in. Volgens mij maken te veel hedendaagse architecten misbruik van het contrast tussen oud en nieuw om zichzelf met onbeleefde gebouwen op de voorgrond te zetten. Anders dan het toneel of de schilderkunst is de architectuur geen verhalende kunstvorm. De bezoeker moet zich niet door de architectuur overweldigd voelen. Je moet het gevoel hebben dat het hier altijd zo is geweest.”

Bij de opening verschijnt bij NAi010 Uitgevers het boek Het nieuwe Rijksmuseum: Cruz y Ortiz Architects van Jaap Huisman, € 39,50