Op een vlot de oceaan over

Om te bewijzen dat de Inca’s de Stille Oceaan overstaken, stapte Thor Heyerdahl in 1947 op een vlot Na 101 dagen zette hij voet aan land De expeditie is verfilmd

Thor Heyerdahl was de laatste echte avonturier. De Noor (1914-2002) trotseerde de Stille Oceaan op een vlot. Hij schrok niet terug voor drieste theorieën. Het idee waarmee hij beroemd is geworden, maar dat niemand overnam, was dat van een prehistorische migratie over zee. Een legendarische Inca uit Zuid-Amerika zou zijn volgelingen hebben meegenomen naar de eilanden van Polynesië. Heyerdahl waagde zijn leven om aan te tonen dat het best zo gegaan kon zijn.

De Noor kwam op het idee tijdens zijn huwelijksreis in 1936 naar Fatu Hiva, een van de Marquesaseilanden in Frans-Polynesië. Het scenario van de nieuwe Noorse speelfilm Kon-Tiki volgt Heyerdahls eigen beschrijving van dat Eureka!-moment. In het binnenland vond hij stenen beelden van mensenfiguren, die de bevolking tiki noemde. Een oude bewoner van Fatu Hiva vertelde Heyerdahl dat zijn voorvaderen naar deze eilanden waren gekomen „uit een groot land, heel ver weg achter de zee”. Zij werden aangevoerd door Tiki, volgens de man ‘een god en hoofdman’. In de mythologie van Centraal-Polynesië was Tiki de eerste mens.

Heyerdahl verdiepte zich in de literatuur over Polynesië en precolumbiaans Amerika. Hij ontdekte dat Viracocha, de schepper-god van de Inca’s, ook wel Con-Tici Viracocha werd genoemd. Viracocha werd voorgesteld met de zon als kroon en bliksemschichten in zijn handen. Volgens de legende raakte hij teleurgesteld over de mensen en verdween hij uiteindelijk, met de zon, achter de kim van de Stille Oceaan. De Inca’s dachten dat hij ooit zou terugkeren.

Heyerdahl beet zich vast in de veronderstelde culturele connectie tussen Amerika en Oceanië. Hij was aan de kust van Canada op zoek naar rotstekeningen in oud-Polynesische stijl, toen de Duitsers Noorwegen binnenvielen. De oorlogsgod verjoeg voor vijf jaar alle andere godheden.

In 1946 reisde Heyerdahl naar New York om zijn theorie voor te leggen aan Amerikaanse etnologen. Hij wist niemand te overtuigen. De heersende opinie, gebaseerd op archeologisch en taalkundig onderzoek, was dat de Polynesiërs uit het westen kwamen, van het Aziatische vasteland. En de Inca’s, zo kreeg Heyerdahl te horen, hadden geen belangstelling voor de zee. Ze hadden alleen balsavlotten om voor de kust te vissen, geen zeewaardige boten die in staat waren de oceaan over te steken.

Heyerdahl besloot zijn theorie te ‘bewijzen’ door de tocht zelf te maken op eenzelfde vlot als de Inca’s gebruikten voor hun kustvaart. Hij verzamelde een groepje mannen om zich heen die hij deels kende uit de oorlogsjaren: een ingenieur, twee radiotelegrafisten, een schilder met een diploma van de zeevaartschool – allen Noren – en een Zweedse antropoloog die net terug was van een expeditie per kano op de Amazone.

De film Kon-Tiki besteedt geen aandacht aan de sponsors van de onderneming: een rijke Amerikaan, twee kranten die een exclusief verslag bedongen en het Pentagon. Op voorspraak van de Noorse militaire attaché in Washington kreeg de expeditie hulp van het Amerikaanse leger, in de vorm van speciaal verpakte veldrantsoenen, waterdichte slaapzakken, primustoestellen, waterreservoirs, aangepast schoeisel, keukengerei en messen die konden drijven. Allemaal experimentele uitrustingsstukken die de Amerikanen graag wilden testen. De marine stelde de nieuwste stroomkaarten ter beschikking, op voorwaarde dat de zes die zouden controleren met eigen metingen. Het vermoedelijke tracé viel namelijk buiten elke scheepvaartroute.

Voor stammen van de balsaboom, een extreem lichte tropische houtsoort, reisde Heyerdahl naar Ecuador. Het hout werd de rivier de Palenque afgevlot naar Guayaquil, waar het werd verscheept naar de Peruaanse haven Callao. Daar mochten de zes hun vlot bouwen op de marinewerf. De president van Peru zag het als een nationaal belang te helpen bewijzen dat ‘landgenoten’ Polynesië ontdekten.

Met de hulp van werfpersoneel sjorden Heyerdahl en zijn kompanen negen balsastammen bijeen met henneptouw, en verder gebruikten ze bamboe, bananenbladeren, mangrove- en vurenhout. Het vlot van 10 bij 10 meter, met zwaarden, hut en mast, kreeg de naam ‘Kon-Tiki’.

Op 28 april 1947 sleepte een schip het vlot buiten de route van kustvaarders en daarna was het aangewezen op stroming en wind. De eerste weken dobberden ze op de koude Humboldtstroom, in de richting van de evenaar. Geen van de zes had nautische ervaring; ze moesten leren manoeuvreren met de stuurriem en met het zeil, om te voorkomen dat hoge golven het vlot zijdelings raakten. Na drie weken werd de Kon-Tiki meegenomen door de Zuid-Equatoriale zeestroming en boog de koers richting het westen.

De bemanning moest het maanden stellen met elkaar en met de, soms bizarre, levensvormen van de oceaan: slangmakrelen, lichtgevende garnalen en een reusachtige walvishaai.

Het was lang onzeker of ze zouden landen op een dode vulkaan van de Marquesas of op een koraalatol van de Tuamotu Eilanden. Na 93 dagen kwam voor het eerst land in zicht: Puka-Puka, maar wind en stroom voerden hen er voorbij. Op 7 augustus, na 7.964 kilometer en 101 dagen dobberen, smeet de branding de Kon-Tiki tegen het Roroiarif in de Tuamotu-archipel. Het vlot verging langzaam, de opvarenden brachten de inventaris wadend naar het strand.

De heroïsche oversteek bracht Heyerdahl geen bijval uit academische hoek. Intussen heeft genetisch onderzoek de argumenten van archeologen en taalkundigen versterkt: de Polynesiërs komen uit Azië, niet uit Amerika.

Toch was de onderneming ongekend populair. Heyerdahls boek over de expeditie werd vertaald in 67 talen; de documentaire die hij erover maakte, kreeg in 1951 een Oscar. En tien jaar na de dood van Heyerdahl is er nu de speelfilm Kon-Tiki. Een spannend avontuur van zes bruin verbrande Scandinaviërs die het opnemen tegen de elementen en voor hun moed en volharding worden beloond met verse klappers en lieftallige hoelameisjes. Succes verzekerd.