Ook in de VVD begint de twijfel over de heilige 3 procent

Vakbonden, werkgevers en de PvdA willen de norm van 3 procent voor het begrotingstekort al loslaten. Voorzichtig klinkt nu ook binnen de VVD zorg. Een rondgang langs regionale bestuurders.

Heilig is het voor de VVD niet, een maximaal begrotingstekort van drie procent. Maar het scheelt niet veel.

Het droeg bij aan de mislukte formatie van Paars Plus, in 2010, toen de VVD voor het eerst de grootste partij van Nederland werd. Het kabinet Rutte I viel erdoor, tijdens de onderhandelingen in het Catshuis in 2012.

In het Lenteakkoord dat vervolgens met oppositiepartijen werd gesloten, incasseerde de VVD meer dan 8 miljard van de door deze partij zo gehate lastenverzwaringen, waaronder zelfs een forenzentaks, om het begrotingstekort in 2013 onder de 3 procent te houden.

En hoewel PvdA-leider Diederik Samsom de VVD toen nog van „begrotingsfetisjisme” beschuldigde, moest ook hij een half jaar later accepteren dat er zonder een buiging voor de 3 procent geen deals met de VVD te sluiten zijn.

Tot eind februari. Voor het eerst in vijf jaar tijd nam de partij afstand van haar harde lijn. Toen de economische groei dit voorjaar wéér bleek tegen te vallen, stelde het kabinet Rutte II wel extra bezuinigingen voor, maar niet genoeg om dit jaar al het tekort terug te dringen tot 3 procent, zoals het regeerakkoord voorschrijft. Deze koerswijziging is voor de VVD tijdelijk en eenmalig, zo benadrukte fractievoorzitter Halbe Zijlstra toen.

Maar zaterdag drongen ex-partijleiders van de VVD er in Nieuwsuur op aan ook na 2013 soepeler om te gaan met de 3 procent. Hans Wiegel: „Je moet nooit de economie kapot bezuinigen.” Frits Bolkestein: „Ik ben onder de indruk van het verhaal dat je moet oppassen met bezuinigen in een neerwaartse spiraal.”

Bolkestein en Wiegel, die zijn in de VVD misschien nog wel heiliger dan het beginsel van financiële degelijkheid. De vraag ligt daarom voor de hand: spreken zij alleen voor zichzelf, of vertolken zij een breder gevoel binnen de partij?

Uit een belronde langs regionale VVD-bestuurders blijkt dat slechts enkelen zich openlijk scharen achter de oproep van deze partijcoryfeeën. Een van hen is Aad Niemer, voorzitter van de VVD-Kamercentrale in Limburg: „Er moet op een goede wijze beleid worden gevoerd. Daarom moet je de drie procent begrotingsnorm even apart zetten. Je moet namelijk niet de economie kapot bezuinigen. Dus zodra er weer groei is moeten we weer terug naar die drie procent begrotingsnorm.”

Ook Ewout Klok, voorzitter van de VVD in Drenthe, pleit voor matiging. „De mastodonten zeggen dat je de economie niet kapot moet bezuinigen en daar hebben ze een punt. We moeten Nederland op orde brengen, maar dat mag best iets minder strak.”

Een aantal wil zich niet uitlaten over hun voormalig partijleiders, maar benadrukt wel dat dit bijzondere tijden zijn. Zo zegt Henry Meijdam, VVD’er in Haarlem: „Op dit moment moeten we vasthouden aan de 3 procent. Maar de ernst van de crisis dwingt elke partij, ook de VVD, tot het continu heroverwegen van posities.” We moeten „rustig vasthouden aan de 3 procent”, zegt Jan Dirk Blaauw, uit Zuid-Holland. „Mocht de zaak verslechteren dan zijn ze in Brussel niet gek, dan maken ze daar echt wel een pas op de plaats met het begrotingstekort. Maar ik ben er pertinent tegen dat Nederland alleen de norm loslaat.”

Dat het onderwerp voor de partij uiterst gevoelig is, blijkt tijdens de rondgang. Al snel wordt duidelijk dat het partijbestuur van de VVD hen op de hoogte heeft gebracht. De een na de andere regionale bestuurder komt vervolgens met dezelfde boodschap: als bestuurder heb ik geen mening over de zaak, en bij de VVD-leden wordt er niet over het onderwerp gesproken.

Het is overigens niet gek, dat de VVD zo compromisloos aan haar bezuinigingsdrift vasthoudt, inhoudelijk én politiek.

De partij is meer dan de meeste andere politieke partijen doordesemd van het besef dat de overheid niet meer moet uitgeven dan zij binnenkrijgt – niet het minst gevoed door wantrouwen jegens het vermogen van de overheid belastinggeld efficiënt en effectief uit te geven. Dat is geen verkiezingretoriek of politieke handigheid, dat ís de VVD. Als iets zo in je genen zit, laat je het niet gemakkelijk los.

Dat is ook om politieke redenen het geval. Rutte behaalde voor zijn partij vorig jaar een historische verkiezingszege. Maar tijdens de formatie bleek dat hij nogal wat partijtaboes had doorbroken om een coalitie te kunnen vormen met de PvdA. De hypotheekrenteaftrek werd verregaand beperkt. De overheid ging verder nivelleren, er kwamen lastenverzwaringen. De begrotingsnorm van 3 procent is, zo zeggen sommige critici, de laatste verkiezingsbelofte die nog niet is gebroken.

Het besef van de risico’s van zo’n imago leeft sterk. Ook bij partijleider Mark Rutte zelf, getuige zijn woorden in 2008. In een debat uitte hij felle kritiek op het CDA, omdat deze partij bereid was omwille van regeringsvorming met de PvdA bezuinigingen te verzachten. „Iedereen zal accepteren dat je compromissen moet sluiten, maar als je als partij op zulke grote thema’s bereid bent om 180 graden te draaien, is het niet zo gek dat steeds minder mensen in Nederland geloof hechten aan uw verhalen.”

Maar hier komt het dilemma. Bijna alle andere partijen, vakbonden én werkgevers willen eigenlijk van die harde norm af. Dezelfde Mark Rutte die als VVD-leider groot werd door zo krachtig de noodzaak van deze begrotingsnorm te verdedigen, heeft als premier Rutte dus speelruimte nodig om zijn tweede kabinet wel tot een succesvol einde te brengen.