Onherkenbaar revolutionair elan

Vrouwen van de Revolutie, Rusland 1907-1934, t/m 18/8, Groninger Museum, Groningen. www.groningermuseum.nl**

Revoluties geven vrouwen hoop. Dat gold voor de Franse revolutie, de Arabische lente, en in 1917 in Rusland waar vrouwen een bolsjewistische gelijkheid voor mannen en vrouwen verwachtten. „Vrouwen van Rusland, weg met jullie potten en pannen!”, riep een Sovjetposter, want het burgerlijke gezin paste niet meer in een revolutionair Rusland waar vrouwen meevochten in het leger en Vrouwendag een socialistische feestdag werd. De staat voerde kinderopvang in en nam wetten aan voor liberalisering van het huwelijk, scheiding, abortus – alles om ook vrouwen te bevrijden: van tirannieke echtgenoten. Het huwelijk werd zelfs even afgeschaft waarop vrouwen zich bij het Bureau van Vrije Liefde moesten melden voor geslachtsverkeer ‘in het belang van de staat’. Niet voor iedereen een pretje.

Alles stond op zijn kop, ook de avant-gardes – notabene een militaire term: voorhoede, verkenners – die het bolsjewistische ideaal van internationale solidariteit al langer in de praktijk brachten door Frans kubisme en Italiaans futurisme te mengen tot een Russisch constructivisme – m/v. De abstracte vormen van Ljoebov Popova en Antonina Sofronowa gaven de science fiction-dynamiek weer van een land op drift.

Vrouwelijke kunstenaars van voor en na de Russische Revolutie waren minder beroemd dan hun mannelijke evenknieën die – eerlijk is eerlijk – voor de grote artistieke vernieuwingen zorgden. Maar dat maakt deze vrouwen niet minder bevlogen. De expositie begint met post-impressionistische landschappen van Natalja Gontsjarova – de bekendste én meest getalenteerde – die ook bloemmotieven uit de volkskunst ging naschilderen, om de kloof met het volk te dichten. Dan volgen constructivistische abstracties van Popova, suprematistische mensfiguren van Anna Leporskaja en een prachtig schilderijtje van Sofia Dymsjits-Tolstaja – onbekende schilder en Tolstojs ongelukkige echtgenote – met buigende vlakken die dit revolutionaire beeld de sensitiviteit geven van een oud Russisch icoon.

Zo vullen de kunststromingen chronologisch zaal na zaal, met slechts bij de ingang één zaaltekst en een brochure. Helaas. Want deze kunst schreeuwt om meer maatschappelijke toelichting: bezoekers van nu herkennen niet meer het revolutionaire elan van geabstraheerde stillevens. „Lekker sixties”, zeggen museumbezoekers dan ook over de vitrine met lapjes textiel in zigzaggende lijnen, maar daar zit meer achter.

Zoals mannelijke collega’s serviezen ontwierpen om kunst en het dagelijks leven te laten versmelten, zo stapten de vrouwen op de industrie af met hun textieldessins. Kunst voor het volk, dat kon eigenlijk alleen via massaproductie. En waarom het alleen vrouwen waren? Dat ging met hun mannelijke collega’s niet, vertelt de catalogus: die wilden op elke meter stof hun handtekening.

Maar zonder zulke voorkennis zie je dit niet aan die lapjes af. Ook niet aan de schilderijen. De tentoonstelling bevat nauwelijks informatie over die tijd, over het feminisme, over de grote maatschappelijke verschuivingen. 1917 is gewoon een jaartal op de titelbordjes, revolutionaire posters ontbreken.

De catalogus stelt zelfs dat vrouwen kunst belangrijker vonden dan politiek, maar, kunst wás politiek. Zonder al dat soort achtergronden krijgt de expositie de bourgeois gezapigheid waar deze kunst zich tegen keerde.