Noord-Korea kan niet zonder vijand

Het regime in Noord-Korea ontleent haar legitimiteit aan het conflict met de Amerikanen, betoogt Ian Buruma. Een vredesverdrag heeft dus weinig zin.

Noord-Korea heeft kernwapens. Zonder die wapens zou de wereld zich waarschijnlijk weinig aantrekken van een klein landje in Noordoost-Azië met amper 24 miljoen inwoners, streng onder de duim gehouden door een groteske dynastie die zich communistisch noemt. De huidige heerser, Kim Jong-un, kleinzoon van de ‘Grote Leider’ Kim Il-song, dreigt dat hij de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoul zal vernietigen in een „vuurzee”. Tevens heeft hij het gemunt op Amerikaanse bases in Azië en de Stille Oceaan. Ja, zelfs het Amerikaanse vasteland zou niet meer veilig zijn.

Kim Jong-un weet heel goed dat zijn eigen land, en dus ook zijn familiedynastie, ten onder zou gaan in een oorlog met de VS. Het bewind is niet eens in staat de eigen bevolking te voeden. Meer dan een miljoen mensen stierven al van de honger. Honderdduizenden verkommeren nog steeds in concentratiekampen. Er is niet genoeg elektriciteit in Pyongyang om ’s avonds de lichten in de grootste hotels te laten branden. Het idee om de grootste wereldmacht te lijf te gaan lijkt daarom een teken van suïcidale waanzin.

Toch is het niet aannemelijk en ook niet erg nuttig om te veronderstellen dat Kim en zijn militaire adviseurs zwakzinnig zijn. Dat er iets buitensporigs kleeft aan het politieke systeem van Noord-Korea is duidelijk. De tirannie van de Kim-dynastie berust op een combinatie van religieus fanatisme, brute realpolitik en paranoia. Maar dit fatale brouwsel heeft een geschiedenis, en die behoeft enige uitleg.

Na de ondergang in 1945 van het Japanse imperium, dat sinds 1910 Korea op nogal hardvochtige wijze had overheerst, werd het noorden door de Sovjet-Unie bezet, en het zuiden door het Amerikaanse leger. Een relatief obscure communist, Kim Il-song, werd door de Sovjets uit een legerkamp geplukt en geïnstalleerd als de leider van het noordelijke deel. Mythes over zijn heldendom in de strijd tegen Japan, en zijn goddelijke status, volgden al snel en de cultus om de Grote Leider werd geboren.

Aanbidding van de Kims, van grootvader tot kleinzoon, is een soort staatsgodsdienst in Noord-Korea die ten dele is ontleend aan stalinisme en maoïsme, maar ook aan Koreaanse tradities van sjamanisme: goddelijke figuren die de verlossing brengen.

Maar de kracht van de Kim-cultus, en de paranoia die het bewind kenmerkt, heeft een politieke achtergrond die veel verder teruggaat dan 1945. Net als Polen heeft Korea altijd klemgezeten tussen sterkere machten: China, Rusland en Japan. De enige manier voor Koreaanse heersers om te overleven was om grotere landen tegen elkaar uit te spelen en tegelijkertijd bescherming te zoeken in ruil voor onderdanigheid. Chinese keizers zagen Koreaanse vorsten als hun vazallen. Nog veel beschamender was de inlijving bij het Japanse Rijk na 1910. Een gevolg van deze historie is een haast xenofobische aversie in Korea voor de nationale afhankelijkheid van anderen.

Dit verklaart de kern van de Noord-Koreaanse propaganda die bestaat uit de zogenaamde Juche-ideologie, de filosofie van absolute zelfbeschikking. In werkelijkheid waren de eerste twee Kims typisch Koreaanse heersers, die China en de Sovjet-Unie tegen elkaar uitspeelden en de bescherming zochten van beide. Dat de Zuid-Koreanen steevast worden afgeschilderd als laffe hielenlikkers van het Amerikaanse imperialisme mag hypocriet zijn, maar is ook typisch voor een lange historie waarin Koreanen anderen uitmaken voor verraders. Doodsangst voor een externe vijand is essentieel voor de overleving van de Kim-dynastie.

Net als voor Cuba was de val van de Sovjet-Unie een ramp voor Noord-Korea. Zonder steun van de Sovjets verpauperde het land nog sneller en het was niet langer mogelijk om één macht uit te spelen tegen de andere. China is nu de enige beschermer en de Noord-Koreaanse afhankelijkheid van dat land is welhaast totaal. Als China de toevoer van voedsel en brandstof aan zijn vazalstaat zou stopzetten, was het snel afgelopen met de Democratische Volksrepubliek van Noord-Korea.

Er is maar één manier om de aandacht van deze vernederende situatie af te leiden, en dat is om de Juche-propaganda tegen Amerika en zijn Zuid-Koreaanse hielenlikkers steeds verder op te krikken. Zonder de georkestreerde hysterie over een conflict met Amerika valt de legitimiteit van het Kim-regime weg.

Explosieve toestand

Critici van de VS, onder wie sommige Amerikanen zelf, beweren dat de spanning in Noordoost-Azië sterk kan worden verminderd als Washington bereid zou zijn de Noord-Koreanen tegemoet te komen door een vredesverdrag te sluiten, of althans te beloven het land niet aan te vallen. Afgezien van het feit dat de Zuid-Koreaanse regering hier op zijn zachtst gezegd niet blij mee zou zijn, ligt een dergelijke stap niet in het verschiet. Democratische presidenten, en zeker Obama, zijn als de dood om te worden gezien als ‘softies’. Want daar spinnen de Republikeinen meteen garen bij.

Maar zelfs al zou Obama concessies doen, dan zou het waarschijnlijk niet zoveel uitmaken. Gezien de centrale rol van anti-Amerikaanse paranoia in de Juche-gedachte is het van levensbelang voor de Kim-dynastie om de angst erin te houden.

De tragiek van Korea is dat niemand zin heeft om de status quo te veranderen: China heeft Noord-Korea nodig als buffer tegen Japan en Zuid-Korea, en wil bovendien geen miljoenen vluchtelingen over de grens zien komen; de Zuid-Koreanen kunnen het zich niet veroorloven om het straatarme Noorden te absorberen; en noch Japan, noch de VS willen opdraaien voor de financiële en politieke consequenties van de ondergang van Noord-Korea.

En dus blijft een explosieve toestand explosief. De arme Noord-Koreanen zullen gebukt blijven gaan onder hongersnoden en tirannie. En oorlogsdreigingen zullen over en weer blijven gaan aan de grens tussen Noord- en Zuid-Korea. Maar kleine dingen – één schot in Sarajevo, als het ware – kunnen leiden tot een catastrofe. En die kernwapens, die blijven.